Volgens mij gaat het in Lucas 5 over afstand en nabijheid. Misschien kent je dat woordpaar wel: afstand en nabijheid. Misschien werk je er bijna dagelijks mee. Het is in de zorg en vooral ook de hulpverlening een heel belangrijk thema. Hoe ben je een cliënt of patiënt zo nabij dat je effectief kunt behandelen of ondersteunen en hoe houd je tegelijkertijd professionele afstand?
Te nabij en te afstandelijk zorgen ervoor dat het niet werkt. Je mag niet te dichtbij komen, letterlijk, maar je kunt ook op andere manieren te dichtbij zijn. Als je iemand zo graag wilt helpen dat je alles uit de kast haalt, maar het gevolg is dat die ander zich zo onder druk gezet voelt, dat de hakken in het zand gaan. Of, nog weer anders, als je je werk mee naar huis neemt of als je in je vrije tijd dingen voortdurend nog bezig bent voor je werk. En je kunt ook niet op afstand blijven. Als mensen voelen dat je eigenlijk niet betrokken bent, dat het je van binnen niets kan schelen, dan zul je als arts of als therapeut niet veel bereiken.
Maar afstand en nabijheid speelt niet alleen in de zorg en de hulpverlening een rol. Eigenlijk gaat het in elke menselijke relatie over afstand en nabijheid. Je zult je partner altijd enige ruimte moeten geven voor haar of zijn eigen dingen. Je kunt je kinderen niet altijd bescherm en controleren. Je zult de keuzes die je familieleden maken moeten respecteren. Je kunt als predikant niet alle nood van je gemeenteleden op je nek nemen. Het is een heel leerproces om goed met nabijheid om te gaan.
Het mooiste is eigenlijk dat je kunt variëren. Dat je de ander heel dichtbij kunt laten komen en dat je zelf heel nabij durft te zijn en dat je ook kunt leven met afstand, dat je los kunt laten en ook ruimte voor jezelf kunt nemen. In een gezonde relatie lukt het meestal om je behoefte aan nabijheid en afstand goed te communiceren en af te stemmen.
En nu gaat het in Lucas 5 volgens mij daarover. De mensen willen luisteren naar Jezus. Er wordt geluisterd, maar dat pakt dus helemaal niet goed uit. Het volk verdringt Hem. Ze verdringen Jezus, terwijl ze nota bene zijn gekomen om ‘naar het woord van God te luisteren’. De mensen zijn niet gekomen uit nieuwsgierigheid of om maar niets te missen, nee, het gaat hen om het woord van God. Zij hebben begrepen dat als Jezus zijn mond opendoet je God hoort spreken. En dat is natuurlijk geweldig. Zij zijn niet zoals die mensen in de synagoge van Nazaret die even hiervoor nog probeerden Jezus in de afgrond te storten. (Lucas 4:29) Nee, zij willen het woord van God wel horen. En ze zijn met zoveel dat ze Jezus verdringen.
Eigenaardig is dat, dan wil je Gods woord horen, maar Gods hoogste en diepste woord komt in het gedrang. Ik maak daar uit op dat ons luisteren, onze intentie om te luisteren, ons verlangen om te luisteren, ja, zelfs het geloof waarmee wij luisteren, dat dat er nog niet voor zorgt dat dat de communicatie tussen God en ons slaagt. Het is natuurlijk best mooi als wij echt wel willen luisteren. Maar niet onze goede wil en goede bedoelingen zorgen voor het werkelijke contact met God. Daar is iets anders voor nodig.
De mensen verdringen Hem en Jezus, Jezus neemt afstand. Hij zit er te kort op. Hij is te nabij. Hij moet weg. Lucht. Ruimte. Grenzen. Eigen ruimte. Nee, zeggen. Ik kan je alleen nabij zijn als er afstand is tussen jou en mij.
Dat Hij plaatsneemt in de boot van Simon Petrus en zich een stuk van de oever laat varen, zal niet erg goed gevoeld hebben voor de toegestroomde menigte. Het is niet bepaald ‘O, vrede van Tiberias, o, heuvels in het rond, waar Jezus in het zachte gras, de mensen liefhad en genas en in hun midden stond, en in hun midden stond.’ Als iemand afstand neemt, kun je je geweldig gekwetst voelen. En als je daar de persoonlijkheidsstructuur naar hebt, kan die pijn leiden tot grote boosheid en zelfs agressie.
Nee, wat Jezus hier doet, voelt helemaal niet goed. Ik denk dat wij daar makkelijk overheen lezen. Maar er zit ook iets afstandelijks in Jezus. Hij weert ons af als wij Hem te nabij komen. Als wij Hem te veel inkapselen in onze ideeën. Als wij Hem verstikken met, ja zelfs met ons geloof. ‘Welk een vriend is onze Jezus’, ja, maar Hij is ook de Heer, Hij komt van God, Hij is anders dan wij, Hij moet wel de ruimte krijgen, voor zijn plan, voor zijn onderricht, voor zijn agenda, voor zijn verhaal. Een geloofsgemeenschap kan de Heer ook alle ruimte ontnemen. En dan neemt Hij dus afstand.
Nadat Jezus de menigte onderricht heeft, is het niet dat hij terugkeert naar de oever en zich vervolgens onder het kerkvolk mengt. Hij slaat het koffiedrinken na de dienst over. Hij geeft Simon de opdracht naar dieper water te varen.
Als je gaat luisteren, kan het zomaar zijn dat de Heer de diepte in wil met je. Dan kan het zomaar gebeuren dat Hij op jouw terrein komt. Dan heeft Hij opeens verstand van de dingen waar jij verstand van dacht te hebben. Dan weet Hij opeens alles van vissen, die zoon van de timmerman (Lucas 4:23).
Petrus had ook kunnen antwoorden: ‘Zullen we ons allebei bezig houden met ons eigen vak? Ik ben visser en jij bent messias. Ik vang vissen, jij redt mensen. Zullen we dat maar zo laten?’ U kunt ons van alles leren op het gebied van geloof en godsdienst, maar verder begrijpt u toch wel dat wij ons eigen leven hebben? U hoeft zich toch niet met alles te bemoeien?’
Petrus had Jezus op afstand kunnen houden. Hij had zijn grenzen kunnen aangeven. Maar kennelijk voelt Petrus Jezus’ opdracht om te gaan vissen niet als een bedreiging. Hij voelt zich veilig bij Jezus. Jezus’ nabijheid is nooit te nabij.
‘Maar als U het zegt, zal ik de netten uitwerpen’, zegt Petrus. Hij had dat ook niet kunnen doen. Dan was hij met zijn keurig gespoelde netjes op de oever gebleven. Zijn zaakjes voor elkaar, klaar om de volgende nacht weer uit te varen.
Ja, dat kan. En dat doen wij ook geregeld. Dat we onze zaakjes voor elkaar hebben en op de oever blijven staan. Zo’n Heer die met je de diepte in wil, die je mee wil nemen naar onbekend gebied, nee, dan liever de vaste grond van het bekende onder je voeten. De vaste grond van ons verstand dat zegt dat het allemaal niet kan wat die Heer zegt. De vaste grond van onze ideeën over het leven. De vaste grond van ons scepsis en ons idee dat wij 21-eeuwse westerse mensen toch wel de maat der dingen zijn.
Nee, het kan gewoon, je kunt op de oever blijven staan. Je hoeft je niet te laten meenemen. Dat kan. Dan blijf je daar wel voor altijd staan. Met je lege netten en je lege boot en je lege maag. Dan sta je daar. En er gebeurt niks.
Ja, je kunt je ook mee laten nemen. Je kunt ook bij de Heer in de boot stappen en je laten meevoeren, je laten dragen op de golven, op het water van het onbekende. Petrus doet dat. ‘Als U het zegt…’
De gevolgen laten zich natuurlijk raden. Een net zo vol vissen dat twee boten nodig zijn om ze aan land te brengen. Petrus is overweldigd. Ga weg, ik ben maar een klein en nietig mens, U en ik, wij passen niet bij elkaar. Zijn woorden lijken op woorden die je in de Bijbel vindt als mensen God ontmoeten. Jacob. Mozes. Jesaja. Niemand kan God zien en leven. God en mens zijn zo anders. Passen niet bij elkaar. Petrus heeft begrepen: Jezus spreekt niet alleen het woord van God, Hij is God.
Grappig natuurlijk wel dat Petrus zegt: ‘Ga weg…’ en dat Jezus reageert met ‘Ja, ik ga zo zeker op weg… maar jij gaat mee!’ Petrus zegt: ga asjeblieft weg. Jezus zegt: ga asjeblieft mee. Petrus vraagt om afstand, maar de Heer roept hem in zijn nabijheid.
Wat er gebeurt als je gaat luisteren: dan neemt de Heer afstand als jij te nabij bent en roept je bij zich, als jij afstand denkt nodig te hebben. Petrus, zo onder de indruk van de afstand tussen God en mens, tussen Jezus en hem, hij moet gaan verkondigen dat die afstand overbrugd is. Je kunt God zien en leven. Kijk maar naar Jezus. Je kunt het woord van God horen. Luister maar naar Hem.
‘Voortaan zul je mensen vangen.’ Ja, als wij luisteren naar de Heer, als wij het aandurfden met Hem de diepte in te gaan, dan worden wij vissers van mensen. Jezus zegt niet: ‘Nu moeten jullie vissers van mensen worden.’ Nee, Hij constateert simpelweg: ‘Voortaan zul je mensen vangen.’ Als we het aandurven onze keurig uitgespoelde netten nog eens uit te werpen, als we onze angst overwonnen, als onder ogen zien wij Hij is, dan zijn we vissers van mensen.
Als je gaat luisteren naar Jezus, ga je ook luisteren naar de mensen om je heen. En dan hoor je al die dingen die ook in dit verhaal zitten. Je hoort het verlangen naar een woord dat waar is, dat het houdt, dat er toe doet, dat het waard is om voor te leven, dat je kunt doorgeven aan wie na je komen. Je hoort ook de teleurstelling, het nachtelijk getob, de desillusie. Je hoort hoe mensen hopen op iemand die met hen de diepte in wil en je hoort hoe ze daar voor huiveren. Je hoort hoe mensen zich nietig en waardeloos vinden.
En dan kunnen wij met Petrus zeggen: ‘Ik begrijp het. Ik ben daar ook geweest. En als Jezus niet was gekomen, dan was ik daar nog.’ En zo kun je heel dichtbij anderen komen. Visser van mensen.
Je kan het daar een beetje benauwd van krijgen. Alsof het evangelie mensen maakt tot vissen op het droge, happend naar adem. Heerlijk vrij zwemmend in de wijde wateren van het leven word je plotseling onvrijwillig in het enge net verstrikt en op het droge terechtgekomen, heb je geen enkele kans om te overleven. Nee, dan is het bepaald onaantrekkelijk om leerling van Jezus te worden.
In het Grieks staat een woord dat eerder ontvangen dan vangen betekent. Die vissers vangen geen vis, ze ontvangen vis. En dan zegt Jezus dus: vanaf nu zullen jullie mensen ontvangen. Jullie ontvangen ze, vanuit het machtsgebied van het duister, in het machtsgebied van Jezus Christus, vanuit de dood in het leven.
Wat er gebeurt als je gaat luisteren. Je gaat ontvangen. Je ontvangt de nabijheid van Jezus Christus en je ontvangt elk mens op je pad als iemand met wie je in vrijheid en verbondenheid Jezus kunt dienen.
Vanmorgen ontvangen wij Hem in brood en wijn. Wat een wonder! Ook zo’n wonder wat het verschil, de afstand tussen God en ons aan het licht brengt. Ik moest denken aan de liturgie voor de eucharistie in de rooms-katholieke kerk. Daarin komt een stukje voor waarin de priester zegt: ‘Zie het lam van God, dat de zonde van de wereld wegdraagt.’ En dan antwoorden de gelovigen: ‘Domine, non sum dignus…’ ‘Heer, ik ben het niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spreek slechts één woord en ik zal gezond worden.’ Dat klinkt toch heel erg als ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’
Zo komen ook wij tot de tafel. Als mensen die met Petrus zeggen: dit kan toch eigenlijk niet. En Jezus antwoordt dan: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’ Wij worden in dienst genomen. Wij mogen mensen ontvangen, wij ontvangen elkaar.
Tenslotte nog dit. Ook in de andere kerken in Woerden wordt op deze morgen het heilig avondmaal bediend. Ik wil daar even samen met jullie aan denken. Aan de Kruiskerk en de Opstandingskerk. De Lutherse Kerk. De Petruskerk waar Centrum-Oost samenkomt. Kerkgebouwen vol mensen. Allemaal ontvangen we de Heer. Hij ontvangt ons allen. En wij ontvangen elkaar. Zoals die mannen in de boot van Petrus die andere boot erbij roepen, zo vieren ook wij in verbondenheid met vele andere christenen in deze stad de maaltijd van de Heer. Zijn overvloed is te groot voor ons alleen. Dat wij dan in zijn nabijheid ook elkaars nabijheid vinden.

Geef een reactie