Christenstrijders?!

Vanmorgen mocht ik voorgaan in mijn vorige gemeente, de Dorpskerk in Barendrecht. We namen afscheid van ambtsdragers en er werden ambtsdragers (her)bevestigd. We lazen Efeziërs 6:10-20, over wat bekend staat als de geestelijke wapenrusting.

‘Ten slotte, gemeente,…’. Als je een predikant dat hoort zeggen, ‘ten slotte, gemeente, …’, dan weet je twee dingen bijna zeker. Eén: deze preek duurt niet lang meer. En twee: nu komt er iets wat deze predikant nog kwijt wil. De preek is eigenlijk klaar, het punt is gemaakt, de boodschap is verkondigd, maar er is nog één ding wat deze predikant te mooi, te belangrijk of te interessant vindt om niet te noemen.

‘Ten slotte…’, schrijft ook Paulus. De apostel wil nog één ding toevoegen. Hij had ook kunnen afronden na hoofdstuk 6 vers 9, maar er moet nog iets gezegd worden. En dat ene hebben wij gelezen in Efeziërs 6 vers 10 tot en met 20, over wat bekend staat als ‘de geestelijke wapenrusting’. Maar als je onze Schriftlezing uit Efeziërs knipt, als je van vers 9 naar vers 21 springt, houdt je een volkomen logische brief over.

Paulus heeft in de eerste drie hoofdstukken van zijn Brief aan de Efeziërs zijn verkondiging nog eens samengevat en in de laatste drie hoofdstukken de opdracht die daar uit volgt uiteengezet. Die verkondiging is dat God alles samenbrengt door Jezus Christus (1:10) en daaruit volgt de oproep tot eenheid. Een prachtige brief is het, met een heldere boodschap.

En dan komt dat gedeelte over die wapenrusting er als een soort postscriptum nog achteraan. Laten we eerst kijken naar de inhoud van dit naschrift en dan de vraag stellen waarom Pauls dit ‘ten slotte’ toevoegt aan zijn brief.

‘Zoek uw kracht in de Heer en in de kracht van zijn macht.’ Met die zin begint Paulus zijn slotopmerking. Het komt er op aan dat wij meteen goed lezen. De Statenvertaling zegt hier: ‘…wordt krachtig in de Heere.’ Dan klinkt het toch iets anders. Dan zijn wij het die krachtig worden. En ook al lezen wij de Statenvertaling misschien niet meer, wij vatten die woorden van Paulus heel makkelijk wel zo op. ‘…wordt krachtig…’ Wij willen sterke dappere christenen zijn. En zo lezen wij ook het vervolg over die wapenrusting. Dat wij ons wapenen. Dat wij ten strijde trekken. Dat wij het gevecht aangaan. Dat wij erop slaan, verbaal natuurlijk, want zo zijn we ook wel weer.

Sterke christenen. Dat sterk zijn kan heel verschillende vormen aannemen. Je hebt orthodoxe vormen van sterk zijn en liberale vormen van sterk zijn. Je kunt je hullen in geharnaste overtuigingen, in onwankelbare dogma’s en onveranderlijke vormen. Je kunt je ook hullen in een tolerant en verstandig christendom, waar niemand aanstoot aan hoeft te nemen; waar brave burgers zich verenigen rondom verheven idealen. Er zijn vele manieren om sterk te staan.

Nee, dan is de Nieuwe Bijbelvertaling gelukkiger in zijn woordkeus. Onze kracht is niet van ons, maar we kunnen hem zoeken ‘in de Heer’. Het is ‘de kracht van zijn macht’. Het is ook de wapenrusting van God. In onze eigen wapenrustingen zien wij er zomaar uit zoals David in de wapenrusting van Saul waarin hij Goliath te lijf zou moeten (1 Samuël 17:38-39). Potsierlijk, veel te groot en veel te zwaar. Een padvinder in een harnas. ‘Ik kan hier niet mee lopen’, zegt David. En zo is het. We komen geen stap verder met onze eigen wapenrustingen. (Het is in dit verband ook opmerkelijk dat we meestal spreken over ‘de geestelijke wapenrusting’, terwijl er staat ‘de wapenrusting van God’. Dat is toch wat anders.)

Nee, we hebben Gods wapenrusting nodig. We hebben die nodig, aldus Paulus, ‘om stand te houden tegen de listen van de duivel’. Wij maken nogal makkelijk een karikatuur van de duivel, compleet met hoorntjes en een drietand. Ja, en dan bestaat de duivel natuurlijk niet. In het Grieks staat hier het woord diabolos en dat betekent ‘uiteenwerper’. De duivel dat is de chaos, de verdeeldheid, de polarisatie, de verstrooiing. En dat bestaat allemaal wel.

En dat staat lijnrecht tegenover waar het in het evangelie over gaat. Het kernwoord van de Brief aan de Efeziërs is eenheid. Eenheid van God en mens. Eenheid van hemel en aarde. Eenheid van jood en heiden. Eenheid in Christus. Eenheid in de gemeente. Eenheid met Christus in dienende liefde. Tegenover die eenheid staat de veelheid. De duivel, dat is nooit genoeg, altijd meer. De duivel kent geen maat, geen vergeving. De duivel is de grote perfectionist.

Willen wij daar niet volkomen weerloos tegenover staan dan hebben wij Gods wapenrusting nodig. Het zijn bijzondere “wapens” die wij aangereikt krijgen. De waarheid, de gerechtigheid, het evangelie, het geloof, de verlossing en de Geest, dat wil zeggen Gods woorden.

Over elk van deze wapens valt veel te zeggen. Ik kwam bij de voorbereiding op internet prekenseries tegen waarbij aan elk wapen een aparte preek was gewijd. (Ik denk dan: wat zou Paulus zeggen als hij die preken las? ‘Ik wist niet dat ik dat allemaal bedoelde?’ Of: ‘als ik geweten had dat ze dit met mijn brieven zouden doen, had ik wel wat preciezer mogen formuleren.’) Ik wil iets over deze wapens in het algemeen zeggen. 

Namelijk dat deze wapens bijzonder kwetsbaar lijken. De waarheid. Wat is waarheid? De gerechtigheid. Wie bepaalt dat? Het evangelie. Wie wil het nog horen? Het geloof. Dat geloof van ons? Verlossing. Waar dan? De Geest, Gods woorden. Hoe dan? Het lijkt erop dat wij bijzonder kwetsbaar in het strijdperk staan. Het ziet er allemaal niet heel krijgshaftig uit.

Dat de wapenrusting van God er zo fragiel uitziet, hoeft ons echter niet te verbazen. Paulus schrijft eerder in zijn brief ook over het aantrekken van iets. In hoofdstuk 4 vers 24 gaat het over het aantrekken van de nieuwe mens. Die nieuwe mens, dat is Jezus Christus. En Hij was volkomen weerloos in ons midden. Hij stond daar, met deze kwetsbare wapenrusting, met niets meer dan de waarheid, de gerechtigheid, het evangelie, het geloof, de verlossing en de Geest, dat wil zeggen Gods woorden.

Het aantrekken van Gods wapenrusting is het aantrekken van Jezus Christus. Het is telkens opnieuw zijn weg tot je door laten dringen. Strijden is weten dat Hij gestreden heeft. Winnen is weten dat wij door Hem niets te verliezen hebben. Je wapenen is zijn ontwapenende liefde kennen. Hij is onze waarheid, onze gerechtigheid, enzovoorts.

Is ons dat genoeg? Durven wij het daarmee aan? Kunnen wij daar genoegen mee nemen? Houden wij het daarmee uit? 

Met deze vragen zijn we ook bij het waarom van dit postscriptum. Paulus schrijft over de wapenrusting van God, omdat van ons gevraagd wordt het uit te houden met Jezus. Gods nieuwe wereld komt en wij anticiperen daarop, leven nu alsof het zo is, maar niet alleen wij reageren op wat God doet. Genade is ook oordeel. De toekomst van de Heer is ook het einde van de oude wereld. En die laat het er niet bij zitten, die geeft zich ook niet zomaar gewonnen. Sterker nog, in hun verloren positie zijn ze verbetener dan ooit.

Twee dingen mogen we nooit vergeten. In de eerste plaats zouden wij uit de felheid van het verzet tegen Gods nieuwe wereld kunnen opmaken dat dat verzet macht heeft. Dan slaat de twijfel om ons hart. Dan wanhopen wij. Maar dat is niet nodig. De tegenstand is machteloos.

Aan de andere kant moeten we niet denken dat die tegenstand niks voorstelt. Ze is machteloos ten opzichte van God, maar niet ten opzichte van ons mensen. Er is geen reden voor gelovige vermetelheid of kerkelijk triomfantalisme. Er is reden tot waakzaamheid en volharding.

Ten slotte, gemeente, Paulus’ naschrift eindigt bij het gebed. Dat lijkt een wonderlijke overgang, van wapens naar het gebed, maar het is als je de bedoeling van die wapenrusting begrijp eigenlijk de enige logische conclusie. Het is daar, in het gebed, dat de gemeente strijdt. In het gebed zoeken wij de eenheid, met God, met Jezus Christus, met elkaar, met de wereld. Daar vechten wij tegen onze neiging toe te geven aan de verleidingen van de ‘uiteenwerper’, daar vechten wij tegen zijn macht in de wereld, tegen de diabolische machten van egoïsme en eenkennigheid, van discriminatie en antisemitisme, van polarisatie en geweld, van misbruik en uitbuiting, van vervuiling en ontkenning.

De gemeente levert haar strijd al biddend. En met het oog daarop is er het ambt in de kerk. Om dat gebed mogelijk te maken en gaande te houden. Ambtsdragers kennen daarom die geestelijke strijd maar al te goed. En ze weten van de kwetsbaarheid van hun wapenrusting. Weerloos sta je in ambt. Kwetsbaar is de gemeenschap. Maar er is ook de ervaring dat waar wij het uithouden met Jezus Christus wij zien dat Gods nieuwe wereld komt. Dat er een eenheid is die al onze verschillend overstijgt, een eenheid die ons sterk maakt, een eenheid die onze moeite waard is.


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.