Tijdens het eerste deel van deze preek wil ik met u luisteren naar het boekje Jona. Dat boek heeft ons veel te zeggen als het gaat over de vraag wat de kerk te zeggen heeft over zonde, schuld, vergeving en bekering. Ik het tweede deel van de preek wil ik vanuit Jona een paar dingen zeggen over onze omgang met ons verleden.
Het verhaal van Jona is natuurlijk overbekend. God roept een profeet, Jona is zijn naam, ‘duif’ betekent dat, maar hij blijkt meer een vreemde vogel. God stuurt hem naar Nineve, de hoofdstad van het Assyrische rijk, op de oever van de Tigris, in het huidige Irak, dus naar het oosten en de profeet gaat naar de meest westelijke stad die hij kent, Tarsis. Qua richting en afstanden een beetje alsof je naar Berlijn moet, maar je neemt de boot naar de Verenigde Staten. Dat kan natuurlijk niet en de boot raakt in zwaar weer. Jona begrijpt dat het zijn ongehoorzaamheid is die deze storm veroorzaakt en hij laat zich overboord gooien.
Wonderlijk genoeg eindigt het verhaal niet daar, niet bij God die zijn ongehoorzame profeet straft, maar er is een vis die Jona opslokt. God is nog niet klaar met Jona. In de buik van de vis bidt Jona. Hij heeft berouw, hij keert zich om. Dan keert ook de maag van de vis zich om en de profeet krijgt een opnieuw de opdracht tegen Nineve te profeteren. Jona doet nu wel wat God zegt en hij gaat naar Nineve en zegt die goddeloze stad het oordeel aan. Nog veertig dagen en dan wordt Nineve omgekeerd.
En dan gebeurt er weer een wonder. We beginnen te lezen in Jona 3 vers 5: ‘De inwoners van Nineve geloofden God…’ De inwoners van die grote stad, die trotse hoofdstad van dat machtige rijk, die mensen die zo dik tevreden waren met zichzelf, die zo onder de indruk waren van wat ze allemaal konden, die zich van niets en niemand iets aantrokken, die deden waar ze zin in hadden, die het geweld niet schuwden en leefden op kosten van anderen, die mensen ‘geloofden God’.
Dat staat er: ze geloofden God. Het is niet zo dat ze inzien dat ze het al die tijd verkeerd hebben gedaan, het is niet zo dat ze zeggen: ‘als we niks doen, staan we straks aan de verkeerde kant van de geschiedenis’, en ook niet ‘een betere wereld begint bij onszelf’. Nee, ze peilen hun situatie tot op God. In de prediking van Jona ontmoeten zij God, komen zij tegenover Hem te staan. En tegenover Hem staan zij schuldig. Hun schuld ten opzichte van de slachtoffers van hun levensstijl is een schuld ten opzichte van God. Ze wisten natuurlijk allang dat het heel erg was wat zij deden, dat het eigenlijk niet kon, ze wisten heus wel wat er aan de hand was en dat het niet altijd zo door zou kunnen gaan, maar nu breekt het besef baan dat ze tegen God gezondigd hebben.
De inwoners ‘riepen een vasten uit en iedereen, van hoog tot laag, hulde zich in een boetekleed.’ Opeens bestaan er geen rangen en standen meer. Geen grachtengordel en provincie, geen echte Assyriërs en gelukszoekers, geen boeren en klimaatgekkies, nee, in een boetekleed ziet iedereen er hetzelfde uit. Het schept een enorme band dat besef van schuld.
Hoofdstuk 3 vers 6: ‘Toen de profetie de koning van Nineve bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af en ging, gehuld in een boetekleed, op de grond zitten. En hij liet in Nineve omroepen: ‘Volgens bevel van de koning en zijn edelen is het niemand toegestaan te eten of te drinken, mens noch dier, rund noch schaap of geit. De dieren mogen niet grazen of water drinken. Iedereen, mens en dier, moet zich hullen in een boetekleed en luidkeels God aanroepen. Laat iedereen breken met zijn kwalijke praktijken en met het onrecht dat hij doet.’
Bijzonder eigenlijk wat die koning doet. Hij schrikt niet van die onverwachte volksbeweging. Hij zegt niet: ‘Wat is dit voor onzin? Aan het werk!’ Nee, de koning blijkt een echte leider. Leading by example. Hij gaat voorop. Juist nu het besef ontstaat dat de manier van leven van de Ninevieten op een dood spoor zit, dat hun levensstijl niets dan dood voortbrengt, dat God zal oordelen, nu is de koning een echte koning. En hij is ook een beetje een priester. Hij roept op tot gebed, tot erkenning van de schuld. Maar dat niet alleen, hij roept ook op tot bekering. Je kunt je schuld wel erkennen, maar als je gewoon doorgaat, dan is dat niets waard, dat snapt ieder mens.
En de koning, is een leider, een priester, en hij verkondigt ook het evangelie. Hij zegt – Jona 3 vers 9: ‘Misschien dat God dan van gedachten verandert en afziet van zijn voornemen; wie weet zal Hij zijn woede laten varen, zodat wij niet te gronde gaan.’ Waar haalt die koning dat vandaan? Jona heeft in zijn preek niets gezegd over de mogelijkheid dat het nog goed zal komen. Hij heeft simpelweg gezegd dat de stad zal worden omgekeerd. Maar die koning moet beseft hebben, moet gedacht hebben: ‘Als God alleen zou willen oordelen, dan had Hij onze stad allang omgedraaid. Dan zou Hij dat gewoon gedaan hebben. Dan zou onze manier van leven allang geëindigd zijn in dood en verderf.’ Uit het feit dat God zijn oordeel aankondigt, maakt die koning op – nee, dat is teveel gezegd – hij durft vermoeden, waagt het te hopen, dat het nog goed kan komen.
En de koning blijkt gelijk te hebben. Want God verandert. God keert niet Nineve om, Hij keert zelf om. Jona 3 vers 10:’ Toen God zag dat zij inderdaad braken met hun kwalijke praktijken, zag Hij ervan af hen te treffen met het onheil dat Hij had aangekondigd, en Hij deed het niet.’ En Hij deed het niet… God, de almachtige schepper van de hemel en de aarde, Hij die woont in een ontoegankelijk licht, Hij, de eeuwige, heilige, allerhoogste God, Hij verandert van gedachten. Toch maar niet.
En voor wij dat al te snel bejubelen en een lied over de genade Gods aanheffen, voordat wij zeggen: zie je wel, God is goed en genadig, zijn trouw en liefde duren voor eeuwig. Voordat wij al te vroom deze verandering van Gods plan met een glimlach verwelkomen, moeten wij doorlezen. Hoofdstuk drie eindigt met de woorden ‘En Hij deed het niet. Dit wekte grote ergernis bij Jona en hij werd kwaad.’ Dat is de reactie van Gods profeet op Gods ontferming.
En voordat wij denken: ja, maar die Jona was ook een vreemde vogel… moeten we even aan zijn kant gaan staan. Die Ninevieten waren de daders van hun tijd. Zij waren de nazi’s, de moordenaars, de uitbuiters, de koloniale veroveraars, de bezetters, de oorlogsmisdadigers, de etnische zuiveraars, de slavenhandelaars van hun dagen. Zij stonden aan de top van de voedselketen van het Assyrische Rijk. En zij worden door God gespaard.
Jona – hoofdstuk 4 vers 2 – ‘bad tot de HEER: ‘Ach HEER, heb ik het niet gezegd toen ik nog thuis was? Daarom wilde ik naar Tarsis vluchten. Ik wist het wel: U bent een God die genadig is en liefdevol, geduldig en trouw, en bereid het onheil af te wenden. Laat mij maar sterven, HEER: ik ben liever dood dan dat ik zo verder moet leven.’’ Dat is niet de hysterische reactie van een mislukte profeet, dat is de terechte woede van een geschokt mens. In zo’n wereld leven, waar de daders ermee wegkomen, wil ik dat? Nee, in zo’n wereld wil ik niet leven.
‘Maar de HEER zei: ‘Is het terecht dat je zo kwaad bent?’’ En dan volgt die geschiedenis met die wonderboom. Die boom die net zo snel opkomt als weer verdwijnt. Jona betreurt dat hij weer in de verzengende hitte van de zon zit en herhaal zijn doodswens. En opnieuw klinkt het uit Gods mond – vers 9:
[5Nadat Jona Nineve had verlaten, was hij aan de oostkant van de stad gaan zitten. Hij had er een hut gemaakt om in de schaduw af te wachten wat er met de stad zou gebeuren. Nu liet de HEER God een wonderboom opschieten om Jona schaduw boven zijn hoofd te geven en zijn ergernis te verdrijven. Jona was opgetogen over de boom. Maar de volgende morgen, bij het aanbreken van de dag, liet God de boom door een worm aanvreten, zodat hij verdorde. En toen de zon opkwam, liet God een verzengende wind uit het oosten waaien; de zon brandde zo op Jona’s hoofd dat hij door de hitte werd bevangen. Hij bad om te mogen sterven: ‘Ik ben liever dood dan dat ik zo verder moet leven.’ Maar God zei tegen Jona:]
‘Is het terecht dat je zo kwaad bent over die boom?’ Jona antwoordde: ‘Ja, het is terecht dat ik kwaad ben. Was ik maar dood!’ Toen zei de HEER: ‘Als jij al verdriet hebt om die wonderboom, waar jij geen enkele moeite voor hebt hoeven doen en die jij niet hebt laten groeien, een boom die in één nacht opkwam en in één nacht weer verging, zou Ik dan geen verdriet hebben om Nineve, die grote stad, waar meer dan honderdtwintigduizend mensen wonen die het verschil tussen links en rechts niet eens kennen, en dan nog al die dieren?’
En dan is het boekje opeens uit. We worden achtergelaten met de vraag van God aan Jona. En zo wordt die vraag ook een vraag aan ons.
Tot zover Jona. Nu naar onze tijd. Wat kunnen wij hier van leren?
Het eerste en belangrijkste is dit. Wij kunnen het niet over schuld hebben zonder het over God te hebben. De bewoners van Nineve begrepen dat. Schuld is altijd in de eerste plaats ook schuld tegenover God. Wat je een ander aandoet, dat doe je God aan. Wat je een schepsel aandoet, of de schepping, dat doe je de Schepper aan. Onze slechtheid is miskenning van zijn goedheid. Zijn genade brengt onze ongenadige omgang met elkaar aan het licht. In het licht van zijn liefde tekenen zich de schaduwen van haat en geweld zich af.
Schuld zonder God wordt of onverdraaglijk licht omdat het uiteindelijk toch niets uitmaakt, of ondragelijk zwaar. Zwaar omdat als je schuld losmaakt van God wij dingen moeten doen die ondoenlijk zijn. Dan moeten we zelf in onze verwarrende en complexe geschiedenis oordelen over goed en kwaad, dan wij zelf de last van het verleden dragen en dan moeten wij zelf een betere toekomst scheppen.
En dat zijn allemaal dingen die wij helemaal niet kunnen. Wij kunnen van bepaalde excessen wel zeggen dat ze kwaad waren, maar verder schiet ons oordeel tekort. Wij kunnen wel excuses aanbieden, maar verder staan wij machteloos. Wij kunnen het verleden niet ongedaan maken. En de toekomst? Hoe vaak is er al wel niet gezegd: ‘Dat nooit meer.’ en het gebeurt toch en telkens weer? Nee, dan God. Hem komt het laatste oordeel toe. Hij draagt de last van het verleden. En Hij schept een nieuwe toekomst.
Dus ook als we over de concrete schulden van deze tijd praten, hebben we het altijd over deze schulden én over God. Aan de ene kant wordt het daar erger van – schuld tegenover het meest onbeduidend mensje is ook schuld tegenover de heilige God –, aan de andere kant ontstaat er daardoor ook ruimte, omdat we het oordeel aan God overlaten, we de helende kracht van zijn liefde verwachten en hoop hebben voor de toekomst.
Het tweede wat we kunnen leren van het boek Jona is dat schuldbelijdenis vraagt om bekering. Excuses vragen om verandering. De inwoners van Nineve laten hun berouw samengaan met verandering van hun gedrag. Dat lijkt misschien logisch, maar dat is het niet. Sorry zeggen is makkelijk, echt anders gaan handelen niet.
Het was pijnlijk dat onze minister-president vorig jaar, in het jaar dat hij excuses aanbood voor het slavernijverleden ook moest getuigen over de toeslagenaffaire waarin overduidelijk werd dat ouders met een afkomst buiten Nederland konden rekenen op extra aandacht van de Belastingdienst. Ik herinner me het verhoor van een Antilliaanse jongen die als tiener ging werken om de schulden van zijn alleenstaande moeder af te betalen. Maar Rutte had geen ‘actieve herinnering’. Maar goed, laten we niet te veel naar een ander wijzen. Hoe vaak hebben wij niet gedacht dat we het anders zouden doen, en even later deden we het toch?
Dan het derde wat Jona ons leert. Als wij schuld niet losmaken van God, als wij gaan staan in het licht van Gods liefde, goedheid en genade, dan gaat geen van ons vrijuit. Dat is best een lastige boodschap. Wij delen de wereld graag in in goed en kwaad, met onszelf natuurlijk aan de goede kant. Misschien niet helemaal, maar toch wel rechts van het midden zullen we maar zeggen.
Maar we staan allemaal aan de foute kant. Ontmenselijking is zonde tegen de God die mens werd. En onder dat oordeel vallen alle mensen, niet alleen de Ninevieten, maar ook Jona.
We staan allemaal aan de foute kant én we zijn allemaal het doelwit van Gods genade. Ook dat is een lastige boodschap, vraag ook dat maar aan Jona. Kunnen wij leven met een God die zo genadig is? Ja, wij hopen en verwachten, rekenen er zelfs op dat God óns genadig zal zijn. Wij bedoelden het immers goed en wij weten beter dan onze voorouders, wij maken niet de fouten die ze vroeger maakten. Maar houden wij rekening met de mogelijkheid dat God ook de ander genadig is? Dat hij zelfs de dader genadig kan zijn? Dat God hen uiteindelijk ziet als de mensen die ze zijn en dat Hij hen losmaakt van hun verleden?
Karl Barth schreef vlak na de Tweede Wereldoorlog dat ook de Duitsers binnen de reikwijdte van Gods genade vallen. Niet iedereen begreep dat hij dat zei, maar voor Barth was dat de enige manier waarop er toekomst was voor Europa, voor Duitsland en de wereld: samen leven van Gods genade.
Dat is de geheel eigen kijk die de Bijbel heeft op onze morele vraagstukken. We kunnen de Bijbel niet gebruiken als verlengstuk van onze morele verontwaardiging.
Maar, voordat het misverstand ontstaat, laat wel duidelijk zijn dat hiermee niet gezegd mag en kan worden dat slachtoffers geen slachtoffers zijn en dat daders geen dader zijn. Slachtoffers zijn slachtoffers en daders zijn daders. Er zijn er die kwaad gedaan hebben en er zijn er die daar onder geleden hebben. Bezetting is zonde. Oorlogsmisdaden zijn zonden. Uitbuiting is zonde. Ontmenselijking is zonde. Kolonialisme is zonde. Racisme is zonde. Discriminatie is zonde. Laat dat volstrekt helder zijn.
Maar de Bijbel ziet meer en kijkt verder. In de Bijbel gaat het niet over onze wereld, maar over de nieuwe wereld van God. Die nieuwe wereld die begonnen is toen God mens werd. En toen is die nieuwe wereld waarin vrede en gerechtigheid heersen gekomen. Toen is die nieuwe wereld waar elk mens tot zijn recht komt begonnen. De kerk verwacht die nieuwe wereld. Daardoor hebben christenen aan de ene kant een stuk minder mogelijkheden om de wereld te verbeteren en aan de andere kant oneindig veel meer. Aan de ene kant is verwachten het enige wat wij doen, aan de andere kant, wat wij verwachten is wel zo mooi, wat kun je daar een zin in hebben!
Dus (1) wij maken schuld nooit los van God, (2) wij beseffen dat schuldbelijdenis vraagt om bekering en (3) wij staan samen onder Gods oordeel en hopen samen op Gods genade.

Geef een reactie