Feit, garantie, belofte

Het thema van deze preek is ‘Opstanding: feit, garantie en belofte.’ Opstanding: feit, garantie en belofte. Ik wil dus drie dingen over Jezus opstanding zeggen. Dat het een feit is; dat het garantie is, dus dat we door de opstanding ergens zeker van kunnen zijn; en dat het een belofte is, dus dat de opstanding ons iets belooft. Feit, garantie en belofte. Je zou ook kunnen zeggen: verleden, heden en toekomst. Feit gaat over wat er gebeurd is, garantie over wat we er nu aan hebben en belofte gaat over wat nog komt.

Eerst dus de opstanding als feit. Ook al begonnen we deze dienst met de woorden ‘De Heer is waarlijk opgestaan’ en ook al zongen we de Paasliederen uit volle borst mee, toch zijn er genoeg mensen in de kerk die op een dag als vandaag ook twijfelen aan de opstanding van Jezus Christus. En als u één van die paar mensen bent die daar totaal niet aan twijfelen, dan hoop ik dat u begrip kunt opbrengen voor wie wel z’n vragen heeft. Ik heb alle begrip voor die vragen. De opstanding is en blijft iets onbegrijpelijks. Het past niet binnen onze denkkaders en ons voorstellingsvermogen schiet tekort. 

Dat de opstanding een feit is, spreekt dus niet vanzelf. Sterker nog, je zou zelfs kunnen zeggen dat Jezus’ opstanding van alles is, behalve een feit. Er zijn geen ooggetuigen van Jezus’ opstanding. Ook de evangeliën zwijgen over de opstanding zelf. Ze vertellen van Jezus’ begrafenis en van zijn verschijningen, maar wat daar tussenin gebeurd is, wordt ons niet meegedeeld. De opstanding onttrekt zich aan onze waarneming. Dat is kennelijk iets tussen God en zijn Zoon, zou je kunnen zeggen. Je kunt ook zeggen: we weten dus niets over die opstanding.

Waarom dan toch de opstanding een feit noemen? Je zou kunnen zeggen: als de opstanding geen feit is, is het hele christelijk geloof onzin. Zonder opstanding betekent het allemaal niks. Zo schrijft Paulus het ook in 1 Korintiërs 15: ‘…als Christus niet is opgewekt, is onze verkondiging zonder inhoud en is uw geloof zinloos.’ De opstanding moet daarom wel een feit zijn. En dat is waar.

Maar vanmorgen wil ik ook nog iets anders naar voren brengen. Iedereen die de geschiedenis bestudeert, weet dat er altijd afstand is tussen ons en tussen ‘wat er gebeurd is’. Wij zijn geen ooggetuigen. Het enige wat wij hebben zijn historische bronnen. Dat kunnen archeologische vondsten zijn als het over heel vroeger gaat, het zijn vooral geschriften, en uit de moderne tijd hebben we ook beelden, foto’s of filmbeelden. Een historicus verzamelt die bronnen en vergelijkt ze met elkaar en trekt daaruit conclusies.

Welnu, welke conclusie moet je trekken uit alles wat ons over de opstanding is overgeleverd? Wat is ons eigenlijk overgeleverd? Geen ooggetuigenverslag van de opstanding, zo zei ik al, maar wel heel veel andere getuigenissen. Er zijn heel veel getuigenissen van mensen die Jezus hebben gezien. Niet alleen in de evangeliën, maar ook in de brieven, die zoals u weet nog ouder zijn, kom je ze tegen.

En dan is er nog de Jezusbeweging zelf. Kort na Jezus’ dood ontstond er een wonderlijke nieuwe beweging in het Romeinse Rijk. Ze hadden de omstandigheden niet mee, ze deden dingen die hen in de problemen brachten, ze riskeerden hun leven, het was kortom volkomen onlogisch om volgeling van Jezus te worden, maar ze deden het toch. Ze stierven met zijn naam op hun lippen. Mannen, vrouwen, kinderen, hele gezinnen bleven liever trouw aan deze Jezus dan dat ze hem afzwoeren en konden blijven leven. En terwijl het Romeinse Rijk verkruimelde groeide de kerk uit tot een wereldwijde beweging. Ja, met afstand de grootste beweging die de mensheid ooit kende. 

Welke conclusie moet je daar uit trekken? De meest voor de hand liggende conclusie is dat die Jezus inderdaad uit de dood is opgestaan. Er is geen enkele andere verklaring logischer dan deze: de Heer is waarlijk opgestaan. Je kunt natuurlijk zeggen dat dat niet kan. Dat je die verklaring afwijst, omdat het niet mogelijk is. Dat kan, maar wat wel en niet mogelijk is, behoort niet tot de historische feiten, dat is een filosofische vraag. Als jij meent dat de uitkomst nooit 2 kan zijn dan is 1 plus 1 geen 2, nee, inderdaad. Als je kijkt naar alles wat we wel weten over Jezus’ opstanding, dan kun je gerust zeggen dat de opstanding een feit is. 1 plus 1 is… precies, 2!

Dan nu het tweede. De opstanding als garantie. De opstanding garandeert ons iets, verzekert ons ergens van. Ik kom daarop door wat er staat in de Eerste brief van Petrus. Deze brief staat op het leesrooster tussen Pasen en Pinksteren. We zullen de komende tijd nog een paar keer uit die brief lezen. Ik heb er voor gekozen er vanmorgen niet uit te lezen, maar ik wil u wel vertellen wat er in die brief staat. 

Petrus schrijft aan christenen in Klein-Azie en hij spreekt hen aan als ‘vreemdelingen’. Zij zijn vreemdelingen omdat zij geloven. Zij leven in een cultuur die helemaal niets met het christelijk geloof heeft. Hun buren, vrienden, klasgenoten, collega’s begrijpen maar weinig van hun drijfveren. Zij vinden het maar een raar verhaal: over de God van Israël, over een joodse rabbi, die dood ging en weer zou leven en die door zijn Geest in je woont. ‘Denk even na!’

Voor die christenen is het niet makkelijk. Aan de ene kant is er het nieuwe leven wat ze begonnen zijn, het nieuwe begin dat ze gemaakt hebben omdat God hen dat in Jezus geeft, ze voelen de vernieuwende kracht van de heilige Geest, ze proberen het anders te doen, anders te zijn; maar er is ook de tegenwerking, en de verleiding om het weer te doen zoals vroeger, en de twijfel. Als je altijd maar de enige bent, in de klas, of in je team, of op je afdeling, of in je familie. De enige die gelooft, de enige die naar de kerk gaat, de enige die bidt. 

Tegen christenen die daarmee te maken hebben, tegen hen zegt Petrus: de opstanding is een garantie. Die opstanding is de garantie van ons geloof. Die opstanding is namelijk iets buiten ons. Ons geloof berust niet op iets in ons, op onze inzet, of ons enthousiasme, of ons zeker weten. Dat zou een heel wankele basis zijn. Ons geloof berust op het feit dat Jezus is opgestaan. Het hoeft niet uit ons te komen. Het is er, buiten ons, onafhankelijk van ons. 

Sterker nog, wij mogen op Jezus’ opstanding terugvallen. In twijfel en aanvechting, in beproeving en tegenwerking. De opstanding betekent dat we niet op onszelf zijn aangewezen

En, zo schrijft Petrus verder, de opstanding is niet alleen een garantie, het is ook een belofte. De opstanding als belofte, dat was het derde. Die mensen in Klein-Azië dachten geregeld: ‘Waar moet dat heen met ons geloof?’ En: ‘Waar moet dat heen met dat geloof van mij?’ Kijk, die mensen wisten toen nog niet dat de kerk zo groot zou worden. Die leefden met het idee dat het voor hetzelfde geld binnenkort afgelopen zou zijn met de Jezusbeweging. Als zij het niet zouden volhouden, zou het ook zomaar heel snel voorbij kunnen zijn.

En die christenen in Klein-Azië merkten natuurlijk wel dat er ook na Jezus’ opstanding mensen ziek werden, dat ze geliefden aan de dood moesten afstaan, dat relaties stukliepen en dat sommige levens mislukten. We horen van opstanding, maar we leven midden in de dood.

U heeft denk ik allang gehoord dat de situatie van degenen aan wie Petrus schrijft heel erg lijkt op onze situatie. Het christelijk geloof heeft de tijd niet mee. Althans, hier in het Westen. In Afrika en Azië groeit het christendom tegen alles. Wij voelen ons hier ondertussen steeds meer vreemdeling. Iedereen houdt van Pasen, maar voor wie is dat nog het feest van Jezus’ opstanding? ‘Geloof jij dat nog?’ Hoeveel klasgenoten, collega’s en familieleden gaan er naar de kerk? Vandaag? En volgende week?

En ook ons Paasgeloof kan aangevochten zijn. Dat het goed komt, dat het leven sterker is dan de dood, er zijn onder ons mensen die dat niet kunnen horen en tegen wie ik dat ook eigenlijk niet zomaar durf te zeggen. Er zijn ook onder ons mensen zo kapot zijn van wat er allemaal gebeurd is of die zo niet weten hoe het verder moet, laat staan dat het goed zal komen.

En dan zijn er ook nog de grote problemen in deze wereld. In de Stille Week werd er gedebatteerd over stikstof. Versnellen of de handrem? Gisteravond kwam ik thuis van de Paaswake. Even kijken op de NOS-app. ‘Grote zorgen om temperatuur oceaanwater. Deze week is in de Stille Oceaan de hoogste watertemperatuur ooit gemeten. De gevolgen zullen wereldwijd merkbaar zijn.’ Dat was voor mij toch wel een domper op mijn Paasgevoel. Maar misschien is dit juist Pasen: dat er midden in onze geschiedenis iets gebeurd is wat anders is. Iets wat de grenzen van onze mogelijkheden en ons voorstellingsvermogen overstijgt.

De opstanding plaatst de laatste grond voor onze hoop buiten onszelf en buiten de feiten van ons bestaan. Wij hopen niet op grond van wat wij hebben, kunnen, bedenken, voor mogelijk houden, maar buiten dat alles is er Jezus’ opstanding. Daarom durven we toch te hopen op vernieuwing van ons leven, op toekomst voor de kerk en op herstel voor de aarde.

In Matteüs 28 klinkt na Jezus’ opstanding tot twee keer toe dat Jezus ons voorgaat naar Galilea. De leerlingen moeten op weg gaan, terug naar waar het allemaal begonnen is. Hij is hen al vooruit. Zo is Hij ook ons vooruit. Wij zijn op weg door de tijd, op weg naar Galilea. Op weg naar de toekomst waar wij Hem zullen ontmoeten. Zo kunnen wij de toekomst tegemoet, want daar zullen wij Hem, onze opgestane Heer, tegenkomen. Zijn opstanding is de belofte dat Hij op ons wacht, daar in de verte.

Laten we gaan, verder gaan, door het leven. De opstanding ligt achter ons, we hebben Pasen in de rug. De opstanding is nu de garantie dat ons geloof vast staat, wij mogen daar op vertrouwen. En de toekomst is niet alleen maar onzeker of eng, want Hij is daar al. Hij wacht op ons. Laten we gaan!


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.