Geloof: een zaak van verlangen

Met Pasen heb ik al gepreekt over het eerste hoofdstuk van de Eerste Brief van Petrus. En zojuist hebben we een gedeelte uit hoofdstuk 2 gehoord. Met Pasen zei ik u ook al dat Petrus deze brief schrijft aan de christelijke gemeenten in Klein-Azië. Klein-Azië, het huidige… Turkije. Ja, zo zeggen predikanten dat vaak: ‘Klein-Azië. Het huidige Turkije.’

Het huidige Turkije, ja. Ik wil daar heel even bij stilstaan, omdat ik vrees dat die aanduiding ‘het huidige Turkije’ ons niet helpt om dichter bij deze brief te komen, of andersom, om deze brief dichtbij ons te laten komen. Een klein verhaaltje om dat duidelijk te maken.

Op dit moment verblijft mijn collega Cathy de Goede in Turkije. Behalve om te genieten van een welverdiende vakantie is zij daar om het huwelijk bij te wonen van een neef en zijn Turkse verloofde. Aan het begin van de week stuurde collega ze een appje met de boodschap dat het onzeker was of het huwelijk door wel door zou gaan. Het scheen dat bepaalde papieren niet in orde waren. Voor ik het wist, stuurde ik een appje terug waarin ik suggereerde dat een paar dollar hier of daar een en ander wel zou oplossen. 

Het is met dat huwelijk helemaal goed gekomen. Gelukkig maar. Ze leven hopelijk nog lang en gelukkig. Voor nu wil ik even terug naar mijn appje over die steekpenningen. Waarom schreef ik dat zo? Ik had ook kunnen appen dat ik hoopte dat het goed zou komen en dat de benodigde documenten snel boven water zouden komen. Maar ik begon over corruptie. En dat zal er toch mee te maken hebben dat we het over Turkije hebben. ‘Zal wel corrupt zijn.’

Ik vertel u dit niet om mijn West-Europese arrogantie op te biechten. Dat ook, maar ik vrees dat dit appje niet op zichzelf staat en dat is waarom ik het vertel. Wij hebben allemaal zo ons beeld van Turkije.

Als ik zeg ‘Klein-Azie, het huidige Turkije’ dan denkt u aan de Turken die in ons land wonen, of aan uw vakantie in Turkije, of aan Erdogan. Ik weet niet wat dat bij u oproept – die vakantie was hopelijk een succes en die Erdogan vertrouwen we net als veel Turken niet echt – maar ik geloof niet dat men over het algemene een hoge pet opheeft van Turkije en sommigen hebben zelfs uitgesproken negatieve gevoelens bij het land en zijn inwoners.

Het gaat mij nu niet om de waarheid en redelijkheid van die gevoelens. Waar het mij om gaat, is dat wij bij de aanduiding ‘Klein-Azie, het huidige Turkije’ ons niet realiseren over wat een bijzonder gebied we het hebben.

De term Klein-Azië wordt trouwens ook pas sinds de vierde eeuw gebruikt. In de tijd van deze brief van Petrus, de eerste eeuw, noemde niemand dit gebied Klein-Azië. De Grieken voor wie dit gebied in het oosten lag, noemden het Anatolië, wat letterlijk ‘het land waar de zon opkomt’ betekent. De Romeinen noemden deze streek in het westen van hun rijk simpelweg Asia

Ten oosten van Griekenland en ten westen van Rome was dit hét gebied waar de Grieks-romeinse cultuur vorm kreeg. Twee van de zeven wereldwonderen waren in Klein-Azië te vinden. De op een na grootste bibliotheek van de oudheid bevond zich in dit gebied. Vele filosofen en machthebbers kwamen er vandaan. Het was een brandpunt van Westerse beschaving. Het meeste daarvan is later verdwenen toen na de val van het Romeinse Rijk het gebied verschillende keren van bezetter wisselde. 

Waarom vertel ik u dit? Niet alleen omdat predikanten er van houden mensen iets te leren. Het gaat mij erom dat we aanvoelen in wat voor situatie Petrus’ woorden klinken. Petrus schrijft aan mensen die hun leven proberen vorm te geven in die bruisende samenleving en bloeiende cultuur. Iedereen probeerde deel uit te maken van het succes. Iedereen was op zoek naar een plek waar ook jij en je gezin zouden profiteren van de economische en sociale kansen. Ook de lezers van Petrus’ brief. Ondertussen was er ook onzekerheid. Het Romeinse Rijk kraakte en piepte in zijn voegen. Er hing iets in de lucht van ‘hoe lang houden we dit nog vol?’ 

Als ik bedenk dat de lezers van deze brief van Petrus leefden in een tijd vol kansen en mogelijkheden en dat ze probeerden er het beste van te maken, voor zichzelf en voor hun kinderen, terwijl er ook iets van onzekerheid rondwaart en als ik dan om mij heen kijk, kijk naar jullie, doopouders, dan zie ik overeenkomsten. Woerden is een mooie plek voor een jong gezin. Jullie kwamen hier, kwamen hier terug, willen terug naar Woerden. Op zoek naar een plek die bij jullie past, waar je kunt wonen, leven, opgroeien. Een plek om in onze onzekere tijden veiligheid te vinden. Een plek om te profiteren van de mogelijkheden en kansen die het leven biedt.

En wat geldt voor deze doopouders geldt voor velen van ons, gemeente. Woerden is een plek vol kansen en mogelijkheden en velen hebben in de loop der tijden de weg naar onze stad gevonden. En wat geldt voor Woerden geldt voor heel ons land en werelddeel eigenlijk. Je zou ook kunnen zeggen dat de hele West-Europese samenleving zo’n plek is. Je zou dus net zo goed, of misschien wel veel beter kunnen zeggen: Klein-Azië, het huidige West-Europa. Petrus schrijft dus ook aan ons!

En wat schrijft Petrus nu aan de gemeenten die zich hebben gevormd in deze kansrijke streken? Hij schrijft aan hen over hun manier van leven. Hoe leef je als christen in zo’n op succes gerichte cultuur? 

Vorige week had ik de doopouders uitgenodigd voor een bijeenkomst om deze dienst voor te bereiden. Er gebeurde tijdens dat gesprek iets heel moois. We hadden het over de betekenis van de doop. En toen viel het aantal keer het woord ‘basis’. Met de doop geef je je kind een basis mee. 

En – zoals een goed predikant betaamt – vroeg ik door. Wat is die basis? En tot mijn verbazing was degene die meteen het woord nam Wing. En dat terwijl jij, Wing, van het gezelschap dat rond de tafel zat, degene bent die geen christelijke opvoeding heeft gehad en die geen kerkelijke binding heeft, degene die we met een ongelukkige term als de niet-gelovige aanduidden. ‘Zoals ik het zie…’ begon jij, ik vond het heel mooi dat je dat zo zei ‘zoals ik het zie, geeft het geloof je een manier om te leven, hoe je je kunt gedragen.’ Het geloof als manier van leven. Niet maar een set overtuigingen, ideeën, in je hoofd, nee, een verhaal waar je door je manier van leven bij hoort. Niet alleen met je hoofd, maar met je hele bestaan. Ideeën die je belichaamt, die jij door wat jij met jouw lichaam doet, waar maakt.

De apostel Petrus zou het van harte met je eens zijn. Geloof is een way of life, een levensstijl. En dus schrijft hij: ‘Ontdoe u dus van alles wat slecht is, van alle bedrog en huichelarij, alle afgunst en kwaadsprekerij.’ Het zijn de zonden van een succesvolle cultuur. ‘Bedrog en huichelarij, alle afgunst en kwaadsprekerij.’ Zei daar iemand social media? Het zijn die dingen die voor de hand liggen in een samenleving waar ieder gaat voor zijn eigen kansen en waar de onzekerheid steeds meer bovengronds komt. Het zijn de dingen die ook in onze tijd alomtegenwoordig zijn. Doe de krant maar open: bedrog, huichelarij, afgunst, kwaadsprekerij. De ander minder maken en jezelf meer. Het gaat bijna vanzelf. Wie doet altijd het tegenovergestelde: de waarheid spreken, oprecht zijn, de ander wat gunnen en het beste in de ander benoemen?

Petrus benoemt heel concreet wat de bedreigingen zijn voor die christelijke way of life. Opvallend is dat als hij de andere kant benoemen wil, hij naar beeldtaal grijpt. ‘Ontdoe u dus van alles wat slecht is, van alle bedrog en huichelarij, alle afgunst en kwaadsprekerij…, en verlang als pasgeboren zuigelingen naar de zuivere melk van het woord, opdat u daardoor groeit en uw redding bereikt.’ 

Tijdens de Open Bijbelkring werd ik erop gewezen door iemand die wel eens borstvoeding had gegeven hoe intens en intiem dit beeld is. Wie wel eens een zuigeling aan haar borst heeft gehad, begrijpt dit beeld van Petrus. Die melk komt er niet zomaar uit. Er moet hard gezogen worden. Zo’n zuigeling drinkt als het goed is met volle overgave. Alsof zijn leven ervan afhangt. En dat laatste is in feite ook zo. Het kind leeft van de melk die hij drinkt.

En zo, met dezelfde intensiteit verlangen naar het woord, daar gaat het om. Ons verzet tegen alles wat slecht is, vraagt dus onze inzet, alsof ons leven ervan afhangt. Het is zelfs meer dan iets waar we ons voor moeten inzetten, nee, zo moralistisch is Petrus niet, het is een zaak van verlangen. Zo’n zuigeling beslist niet op enig moment dat hij zijn best gaat doen om te drinken. Nee, het kind heeft honger, begint te smakken en zodra borst of fles daar is, wordt er uit alle macht gedronken. Dat is verlangen en zo verlangen ook wij naar woorden van God. We kunnen niet zonder. We willen ze, met heel ons lichaam.

Een kindje wordt geboren en weet instinctief dat het moet drinken. De zuigreflex neemt het over. En dat is nu hoe het in het geloof ook werkt. ‘U hebt toch de goedheid van de Heer geproefd?’ Als je weet hoe goed Gods woorden smaken, dan heb je toch geen trek meer in die andere dingen? Dat ben je toch blij dat je de vieze smaak van leugens, oneerlijkheid, jaloezie en geroddel kunt wegspoelen. De vieze smaak van de zonden spoel je weg met het woord van God.

Wat is nu dat woord van God? Wat is de goedheid van God waarmee je alle kwaad wegspoelt? Voor Petrus is dat Jezus. Over Hem gaat het in beeldspraak van de stenen en de tempel in het vervolg van onze Schriftlezing. Hij is Gods woord, Hij is Gods goedheid. We verlangen naar meer van Hem. We willen meer over Hem horen, meer van Hem weten, meer met Hem bezig zijn. We weten dat elke keer als we ons op Hem concentreren dat we vervuld worden van liefde, hoop en vertrouwen. Als we over Hem horen, dan willen we meer van Hem.

‘U hebt toch de goedheid van de Heer geproefd?’ Vanmorgen proefden we zijn goedheid in de doop van vier jonge kinderen. Laten we dat vooral nog eens op onze tong proeven. De goedheid van Gods onvoorwaardelijke liefde, de weg van Jezus die onze weg is geworden en Gods Geest die ons geloof, hoop en liefde leert. Wat heerlijk!

Dat geloof een zaak van verlangen is, brengt me tot slot bij nog een laatste punt over de doop. Doopouders kunnen na de doop in de kerk zitten met de gedachte: nu moet ik hier wel vaker komen. Kerkgangers kunnen denken: ik ben benieuwd of we ze vaker gaan zien. Mensen kunnen twijfelen over de doop van hun kind omdat ze denken: ik kom eigenlijk niet vaak genoeg. En predikanten kunnen twijfelen: moet ik de lat niet hoger leggen, een klein beetje druk kan best helpen?

Maar geloof is een zaak van verlangen. ‘U hebt toch de goedheid van de Heer geproefd?’ Hier proef je iets wat je nergens anders proeft. En daar leven wij allen van. Van de meest doorgewinterde kerkganger tot wie maar heel af en toe komt of stiekem meekijkt. Natuurlijk hoop ik dat iedereen meedoet. Natuurlijk kunnen we iedereen goed gebruiken. Nee, we hebben iedereen hard nodig. Maar geloven is geen moeten. Geloven is je herinneren hoe de goedheid van de Heer proefde en meer willen. De doop laat ons die goedheid proeven. Daar past geen moeten bij, want het is een kwestie van verlangen. Je hoeft niks. Je hoeft niks, je wil alleen. Laat onze gemeente een plek zijn waar we elkaars verlangen kennen en waar we elkaar helpen dicht bij dat verlangen te blijven.


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.