Wat in Matteüs’ beschrijving van het sterven van Jezus Christus het meeste opvalt, is wat er direct na Jezus’ dood gebeurt: de aardbeving die de graven doet openbreken en de opstanding en verschijning van de overleden gelovigen. Nadat we afgelopen zondag de hele Matteüspassie lazen, was het juist ook dit detail in het verhaal waar mensen na afloop op terug kwamen.
Het is een detail wat alleen Matteüs vermeldt. En dat terwijl wat er aan vooraf gaat en op volgt – het scheuren van het voorhangsel in de tempel en de centurio die Jezus als de Zoon van God belijdt – wel in andere evangeliën wordt vermeld. Waarom vermelden de andere evangelisten de aardbeving en de open graven niet? En andersom, waarom vermeldt Matteüs het wel?
Maar de vraag is niet alleen waarom Matteüs het vermeldt. De inhoudelijke vraag is wat wij ons moeten voorstellen bij wat Matteüs schrijft. Een aardbeving die graven doet openbreken en doden die worden opgewekt. Dat Jezus na een paar dagen opstaat, is al een onvoorstelbaar wonder, maar bij die ontslapen gelovigen gaat het, zo lijkt het, toch om mensen die al veel langer dood zijn.
En tenslotte is er nog een derde en vierde vraag die Matteüs oproept. Matteüs schrijft dat de opgewekte doden ná Jezus’ opstanding verschijnen in Jeruzalem. En dat terwijl direct na zijn dood hun graven al openbreken. Wat hebben zij in de tussentijd gedaan? En dan is het ten slotte ook nog de vraag wat er na die verschijningen van deze opgestane doden is geworden? Zijn zij opnieuw gestorven? Maar wat was hun opstanding dan waard? Of zijn zij in leven gebleven? De kerkvaders uit de eerste eeuwen waren zeer gefascineerd door deze opgestane heiligen. Sommigen beweerden zelfs dat als je naar Jeruzalem zou gaan en goed zou zoeken het mogelijk moest zijn deze mensen te vinden.
Ik zeg dit alles niet omdat ik deze avond bij trivialiteiten wil stilstaan. Daar is het de dag niet naar. De reden om stil te staan bij deze bijzondere gebeurtenis is de vraag die wij ons op deze Goede Vrijdag stellen, namelijk: wat is de betekenis van Jezus’ dood aan het kruis? Als dit is wat er gebeurt meteen na Jezus’ dood dan zal dat toch ook wel te maken hebben met het antwoord op die vraag naar de betekenis.
Laten we eerst maar eens met elkaar vaststellen dat we geen toegang hebben tot de historische feiten. Ik was er niet bij en u evenmin. We hebben te maken met het getuigenis van de evangelist en de kerk acht zijn getuigenis betrouwbaar. Daarmee is iets anders gezegd dan dat het geschrift een bewezen historische feitelijkheid heeft. Er is ook niet mee gezegd dat Matteüs het “dus allemaal verzonnen heeft”. Dat dit een betrouwbaar getuigenis is, betekent dat noch wie meent dat het zo gebeurd moet zijn, noch wie meent dat het zo niet gebeurd kan zijn, klaar is met de tekst. Nee, het begint pas als je voorbij de vraag naar de historiciteit komt en je opent voor de betekenis van wat Matteüs schrijft. Laten we dat vanavond proberen te doen.
Laten we er nog eens precies naar kijken. Wat gebeurt er nu volgens Matteüs? Jezus schreeuwt het uit, sterft en op dat moment is er een aardbeving, gaan de graven open. En na enige tijd komen de doden uit hun graf. De vraag die je volgens mij moet stellen is: waar hebben we dat eerder gehoord?
De sleutel tot dit bijzondere detail in Matteüs’ beschrijving van Jezus’ dood ligt in het Oude Testament. Om precies te zijn in Ezechiël 37, de bekende tekst over de dorre doodsbeenderen, zoals ze in de Statenvertaling werd genoemd.
Het is een dramatisch gedeelte. De profeet wordt meegevoerd naar een dal vol uitgedroogde botten. Het is een luguber gezicht. Waar je ook kijkt, liggen botten. En alles ligt door elkaar. ‘Mensenkind’, zegt de HEER, ‘kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ ‘HEER, mijn God, dat weet U alleen’, stamelt Ezechiël. En dan draagt de HEER de profeet op om tegen de beenderen te profeteren. DE profeet gehoorzaamt, tegen beter weten in, en dan gebeurt het wonder, de dorre beenderen voegen zich samen en er komen pezen, spieren en huid op de beenderen; het worden weer lichamen. Er zit alleen nog geen leven in. Dan moet Ezechiël opnieuw profeteren. ‘Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden zodat ze weer gaan leven.’ Opnieuw gehoorzaamt Ezechiël, en dan gebeurt het: de doden leven! Dan legt de HEER aan Ezechiël uit dat het volk van God lijkt op die dorre beenderen. Ze denken dat het hopeloos met hen is, maar ze vergissen zich. God zal hen verzamelen, weer bij elkaar brengen. En Hij zal zijn geest geven in hun binnenste zodat ze herleven.
Als je Ezechiël 37 naast Matteüs 27 legt, zie je dat de evangelist bewust zó over Jezus’ dood vertelt dat je wel aan die oudtestamentische profetie móet denken. Matteüs wil met dit detail zeggen dat Jezus Christus de vervulling is van die profetie. In Jezus gebeurt wat de profeet beschreven heeft opnieuw en op een nog rijkere manier.
Als Jezus sterft dan is dat onderdeel van die vervulling van de Bijbelse profetieën. Zijn dood is dus niet een noodlottige samenloop van omstandigheden. God zelf is aan het werk. Zijn dood is de uitvoering van Gods plan. Gods plan om zijn volk weer te doen herleven. In de dood van Jezus is God net zo aan het werk als in de terugkeer van Israël uit de ballingschap. God openbaart zich in Jezus’ dood. Ja, hier doet God zijn meest eigenlijke werk.
Wat is de betekenis van Jezus’ dood aan het kruis? Zijn dood is het herleven van zijn volk. Zijn dood is ons leven. Ook al kunnen wij makkelijk afstand voelen tot wat Matteüs schrijft, het komt juist heel dichtbij. Als Jezus sterft dan is dat onderdeel van Gods vernieuwing van ons leven. Je zou kunnen zeggen dat wij zelf die doden zijn die opstaan. De doodschreeuw van Jezus breekt ook ons graf open. Hij roept ook ons uit het graf.
Onze graven van zonde en dood. Onze graven van onmacht en onwil. Onze graven van halfslachtigheid en halfhartigheid. Onze graven van volle buiken en lege hoofden. Onze graven van onze godsdienstigheid en deugdzaamheid. Het graf van ons burgerlijke en gezapige christendom. Het graf van ons ongeloof en ons fanatisme.
Horen wij zijn schreeuw aan het kruis? Horen wij die schreeuw als de stem van God? Horen wij de stem die ons roept? Horen wij hoe Hij de geest geeft? Hoe Hij de Geest geeft? De Geest die ons doet leven?
Zijn dood is ons leven. Zo zegt ook het Heilig Avondmaal. Jezus breekt het brood en vergiet de wijn om zijn leerlingen anders te laten kijken naar hoe zijn lichaam geschonden wordt en zijn bloed vloeit. Zijn marteldood is een zichzelf geven, delen onder ons mensen. Hij wordt gebroken zoals een brood gebroken wordt om het te delen. Zijn bloed vloeit zoals wij wordt uitgeschonken om te worden gedronken. Het is omdenken. Anders kijken.
Daarom kan Jezus’ dood verkondigd worden. Want in zijn dood is God bezig zijn volk tot leven te wekken. In zijn dood is ons leven. Gods glorie is zichtbaar is deze mens in ons midden. In zijn zwakheid zien wij Gods almacht. In zijn verworpenheid Gods luister. In de dwaasheid van het kruis Gods wijsheid. In zijn dood ons leven. (Liedboek 882)

Geef een reactie