Vanmorgen preekte ik over Johannes 11:1-16, het eerste deel van het verhaal over de opwekking van Lazarus. De komende weken staat het vervolg op het leesrooster.

‘Laten ook wij maar gaan, om met Hem te sterven.’ Wat een uitspraak van Tomas. Hoe komt een mens zo ver dat hij dat zegt? ‘Laten ook wij maar gaan, om met Hem te sterven.’ Dat je bereid bent de dood te aanvaarden als uiterste consequentie van je liefde voor iemand. Tomas is bereid de dood te aanvaarden als uiterste consequentie van zijn liefde voor Jezus. Hoe is dat zo gekomen?

Jezus wordt op de hoogte gesteld van de ziekte van zijn goede vriend Lazarus. Zijn komst is gewenst. Jezus laat echter op zich wachten. Waarom Hij dat doet, wordt niet echt duidelijk. We krijgen wel de indruk dat Jezus weet hoe dit allemaal af zal lopen. ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God…’, zegt Hij.

Jezus’ afwachtende houding zou ook te maken kunnen hebben met de dreiging die in Judea boven zijn hoofd hangt. Hij kan wel naar Lazarus toe willen, maar Hij komt net uit dat gebied en toen zijn er meerdere pogingen ondernomen om Hem te doden. Het is zeer waarschijnlijk dat als Jezus naar Lazarus toe gaat er een nieuwe aanslag op zijn leven gepleegd zal worden.

Dat Jezus twee dagen wacht, zou dus ook wel eens een tijd van voorbereiding kunnen zijn. Heeft Hij biddend en denkend en pratend gezocht naar bevestiging dat dit zijn weg zal zijn? Heeft Hij gebeden tot zijn Vader en gevraagd of het zo en niet anders zal moeten gaan?

Als dat zo is, dan weerspiegelt die uitspraak van Tomas – ‘Laten ook wij maar gaan… – ook de uitkomst van Jezus’ eigen innerlijke zoektocht. ‘Laten we teruggaan naar Galilea’, zegt Jezus. Aanvaardt Hij ook dat de uiterste consequentie van zijn liefde voor zijn Vader en ook voor zijn vriend Lazarus waarschijnlijk zijn dood zal zijn?

‘Telt een dag niet twaalf uren?’ zegt Jezus als zijn leerlingen Hem het gevaar nog een voor ogen houden. Het lijkt een raadselachtige uitspraak. De twaalf uren van een dag dat het licht is, zijn de uren waarin je je dingen moet doen. Jezus zegt dus zoiets als dat dit het moment is waarop Hij zijn dingen moet doen. Het moet nú gebeuren. Het heeft geen zin te wachten. Nú moet Hij de wil van zijn Vader doen. Nú moet Hij gaan, de dood verslaan. Nú moet Hij de mens doen leven. Nú moet Hij Lazarus opwekken. Nú, kome wat komt.

Kome wat komt. Dat is ook wat ik hoor in de woorden van Tomas. En zo weerspiegelt Tomas’ uitspraak Jezus’ zoektocht. Ook al hoor ik bij Tomas ook de nodige twijfel. En zo kennen we Tomas. De ongelovige Tomas. De Tomas die eerst zijn hand in de wonden van Jezus wil leggen voordat Hij gelooft dat Hij is opgestaan. Tomas betekent tweeling. Tomas is tweeslachtig, dubbel. Hij heeft zijn scepsis, maar toch is juist bij het die zijn medeleerlingen opwekt met Jezus mee te gaan. Het is geen modelgelovige die ons van morgen wordt voorgesteld. Net zoals wij geen modelgelovigen zijn…

Jezus gaat op weg om te doen wat Hij moet doen, leven brengen. En dat zal Hem inderdaad zijn leven kosten. Het is in het Evangelie volgens Johannes juist de opwekking van Lazarus die de aanleiding voort van het besluit van de leiders van het volk om Jezus te doden. Zo gaat Hij zijn vreselijk lot tegemoet. En Tomas wekt al ons – over de eeuwen heen – op om met Hem mee te gaan.

Want – of Tomas dat door heeft weet ik niet, ik denk van niet – Tomas verwoordt hier precies wat het betekent christen te zijn. Met Jezus sterven. Dat is wat geloven inhoudt. Met Jezus mee op zijn weg van lijden en sterven, in vertrouwen op God de weg durven gaan die doodloopt.

Geloven is vertrouwen. Vertrouwen dat gevoed wordt door wat je van Jezus gezien hebt. Jezus zegt als Hij zij leerlingen heeft verteld dat Lazarus gestorven is: ‘…om jullie ben ik blij dat ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot geloof komen.’ Dat geloof is dus dat we zien dat Jezus gaat, het is dat we zien dat Jezus Lazarus opwekt; dat we daarin Gods liefde in actie zien; dat we zien dat je in vertrouwen kunt gaan, zelf dood kunt gaan, omdat Hij je roepen zal uit dood en graf. 

Je hoeft het gevaar niet te vrezen, je hoeft niet bang te zijn, je kunt de weg van de meeste weerstand wel gaan, want Hij is daar. Tomas spreekt, waarschijnlijk onbedoeld, woorden van geloof. ‘Later ook wij meer gaan, om met Hem te sterven.’

Twee dingen nog daarover Ten eerste moeten we vanuit dit inzicht ook Jezus’ woorden over Lazarus ziekte horen. ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’ Het Johannesevangelie bestaat uit twee delen. En Johannes 11 is de verbindende schakel tussen die twee delen. Het eerste deel u Johannes staat bekend als het Boek der tekenen. Jezus doet tekenen die laten zien wie Hij is en wat God door Hem doet. Het begint bij het eerste teken, de builoft te Kana, en het eindigt hier in Johannes 11 met het laatste teken, de opwekking van Lazarus.

En dan volgt het Boek der verheerlijking, de tweede helft van het Johannesevangelie, waarin verteld wordt van Jezus’ lijden en sterven. Jezus’ dood is in het Johannesevangelie zijn verheerlijking. Het kruis is zijn troon. In zijn lijden en sterven blijkt de glorie van God. Gods glorie is zijn liefde voor mensen. Zijn liefde die tot het uiterste gaat. Zijn liefde die blijkt in Jezus’ volkomen solidariteit met ons mensen. Zijn overwinning op alles wat ons leven bedreigt door daaraan ten onder te gaan.

Als Jezus dan zegt dat deze ziekte niet uit loopt op de dood, dan zegt hij zoiets als: ja, Lazarus is misschien wel gestorven en ja, deze weg zal ook mij mijn leven kosten, maar de dood heeft noch over Lazarus, noch over mij het laatste woord. Zo als je Lazarus zult zien op staan, zo zul je ook zien dat mijn dood het einde niet is. Juist mijn sterven is Gods overwinning, de overwinning van zijn liefde. En dat zal blijken in mijn opstanding.

Wie dat ziet, die gelooft. Geloven is zien dat God in Jezus zijn heerlijkheid toont. Dat in die man aan een kruis God zelf in ons midden is. En dat betekent dat ook als onze weg dood loopt, dat die weg nog wel begaanbaar is. ‘Laten wij ook maar gaan, om met Hen te sterven.’

Dan het tweede. Heeft Tomas gelijk gekregen? Ja en nee. Want de leerlingen zijn met Jezus meegegaan, maar zijn zij gestorven? Als Jezus in de tuin van Getsemane gearresteerd wordt, zegt Hij: ‘Als jullie Mij zoeken, laat deze mensen dan gaan. ‘ En zo gaat Hij zijn weg alleen. Hij sterft, zijn leerlingen niet. Tomas heeft dus ook ongelijk. Zo kan het dus ook gaan. Dat je erachter komt dat het allemaal reuze meevalt. Dat wij met al onze zwaarmoedigheid en negatieve gedachten uiteindelijk een beetje voor gek staan.

Wij kleden ons in angst, bange vermoedens en wanhoop, maar het is alsof we uiteindelijk in onze winterjas op tropisch strand staan, in ons begrafenispak op een bruiloftsfeest. Het ziet er een beetje raar uit. Dat is de dubbele bodem van het evangelie. Als je met Jezus meegaat, vraagt dat alles los te laten om te ontdekken dat je alles krijgt; de dood blijkt het leven. Het valt allemaal reuze mee, Tomas. Trek je angst, twijfel en zwaarmoedigheid uit. Ga mee. Je zult Gods liefde zien en je zult leven. We zullen – tot onze eigen verbazing – leven!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.