Vandaag preekte ik over het derde deel van de opwekking van Lazarus (Johannes 11:28-44).

We kunnen vandaag het hele wonderverhaal overzien. Volgende week blijkt de opwekking van Lazarus nog wel een staartje te krijgen – je zou zelf het hele tweede deel van het Johannesevangelie als zodanig kunnen beschouwen – maar het wonderverhaal zelf is nu verteld.

Wat de aandacht trekt in wat we zojuist hoorden zijn de grote emoties. Er wordt om te beginnen met veel misbaar gerouwd om de dood van Lazarus. Naar goed Oosters gebruik gaat dat rouwen gepaard met heftige en voor iedereen zichtbare emoties. Weeklagen is het woord dat wordt gebruikt in onze vertaling. Weeklagen. Het verdriet over de dood van Lazarus wordt niet onder stoelen of banken gestoken. Hier geen dooddoeners. Hier wordt niets weggestopt, nergens overheen gepraat. De dood doet pijn, maakt dingen kapot, is verschrikkelijk. En dat wordt hier in alle openheid gedeeld.

Grote emoties dus bij Martha, Maria en de Joden uit Jeruzalem die met hen meeleven. Maar wat misschien nog meer onze aandacht trekt, zijn de grote emoties bij Jezus. De NBV21 heeft het vrij braaf over ‘ergeren’, over ‘diep bewogen’ zijn, over ‘huilen’, maar letterlijk staat en dat Hij ‘woedend’ is, dat Hij staat ’te trillen’ van boosheid en ergernis, dat Hij ‘in tranen uitbarst’. 

Nee, Jezus is hier zeer emotioneel. En dat is uitzonderlijk in het Johannesevangelie. We zien Hem daar over het algemeen in grote gelijkmatigheid zijn weg gaan. Hij is degene die de dingen doorziet en begrijpt. Hij heeft voortdurend het initiatief en houdt het overzicht. Hij is de Zoon van God die in grote kalmte de weg gaat die Hij moet en wil gaan.

Maar hier valt Hij uit zijn rol. En hoe! Jezus is buiten zichzelf van verdriet en boosheid. En de grote vraag is natuurlijk waarom Jezus zo geraakt wordt. Wat maakt Hem zo boos? Wat doet Hem zo verdriet? Waarom die ongebruikelijke emotionele reactie?

Nu zou je kunnen zeggen: ‘Dat is toch niet zo moeilijk?’ Er is net iemand gestorven. Lazarus, Jezus’ vriend. Iemand van wie Hij hield, is er niet meer. Dat zal dan toch wel zijn waar Hij door geraakt is? Jezus huilt om wat de dood teweeg brengt. Om de pijn, de eenzaamheid, de ellende die de dood aanricht. Jezus ziet het verdriet van Martha en Maria en dat laat Hem niet koud. Hij is diep bewogen met het verdriet van mensen. Hij voelt zelf de ook pijn die de dood van een geliefd mens teweeg brengt.

Nu wil ik graag geloven dat de Heer ons kent, ook in ons verdriet. Dat wanneer wij rouwen Hij daar weet van heeft. Maar toch denk ik dat er hier iets anders aan de hand is.  

De Joden concluderen ook dat Jezus huilt omdat Hij van Lazarus hield. In vers 36 zeggen zij als zij Hem zien huilen: ‘Wat heeft Hij veel van hem gehouden!’ Dat lijkt de juiste conclusie. 

Maar… in het Johannesevangelie is er voortdurend sprake van misverstanden. Nicodemus zegt als Jezus het over opnieuw geboren worden heeft, dat een mens toch niet terug kan de de baarmoeder in (Johannes 3:4). En de vrouw bij de bron die vraagt als Jezus het over het levende water heeft hoe Hij daar voor kan zorgen, want Hij heeft toch geen emmertje bij zich (Johannes 4:11). En zo rijgen de misverstanden zich in het Johannesevangelie aaneen. Ook de Joden uit Judea en Jeruzalem  zitten er voortdurend naast. En nu denk ik dat we er vanuit moeten gaan dat ze er hier, als het gaat om het huilen van Jezus, ook naast zitten.

Jezus huilt niet om dat Hij van Lazarus houdt. Hij houdt wel van Lazarus, maar Hij weet allang dat Hij hem uit de dood zal op wekker. Je gaat niet rouwen om een vriend die je over enkele ogenblikken uit het graf tevoorschijn zal roepen. Jezus had al aan het begin gezegd dat deze hele geschiedenis niet zou uitlopen op de dood, maar op de eer van God (vers 4). En ook heeft Hij gezegd dat Hij Lazarus zou gaan op welke (vers 11).

Er staat dat Jezus woedend wordt als Hij ziet dat Maria en de Joden weeklagen (vers 33). Dat is de aanleiding tot zijn heftige emoties. En Hij huilt als Hij ziet dat ze Lazarus in een graf hebben gelegd (vers 34-35). En de tweede keer dat het over zijn ergernis gaat, komt dat door de opmerking van dat Hij Lazarus’ dood toch wel had kunnen voorkomen (vers 37).

Kortom, Jezus’ heftige emoties zijn geen reactie op Lazarus’ dood, maar op het ongeloof van de al die anderen. Martha, Maria en de Joden uit Jeruzalem geloven niet dat Jezus de opstanding en het leven is. Ze geloven niet, terwijl dit een uitgelezen moment zou zijn om dat geloven. Dit is hun kans om te vertrouwen op Jezus, maar het lukt ze niet. De kans is verkeken.

Hij heeft water in wijn veranderd. Hij heeft de zieke zoon van de koninklijke hoveling genezen. Hij heeft in Betzala een verlamde genezen. Hij heeft brood vermenigvuldigd. Hij heeft op de zee gewandeld. Hij heeft een blindgeborene het gezicht gegeven. En nu Hij zegt dat Lazarus zal leven, zou je toch enig vertrouwen mogen verwachten.

Martha komt nog het meeste in de buurt. Als Jezus haar vraagt: ‘Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die in mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ Dan antwoordt Martha: ‘Ik geloof dat u de messias bent, de zoon van God die naar de wereld zou komen.’ Het klinkt als een volmaakte belijdenis, maar Martha omzeilt hiermee ook de vraag die Jezus eigelijk stelt. Ze zegt niet: ‘Ja, U bent de opstanding en het leven.’ En als Jezus even later bij het graf van Lazarus staat is zij het die hen wil tegenhouden. ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen.’ Dat was dan het geloof van Martha…

Het is om te huilen dat geloof van ons. Ons ongeloof is het enige wat de Heer van zijn stuk brengt. Hij raakt totaal ontregeld van ons onvermogen te vertrouwen. Wij zijn er net zo erg aan toe als Martha, Maria, die Joden. Ja, wij zijn er net zo erg aan toe als Lazarus! We liggen al weet ik niet hoe lang in ons graf.

Wat lijken wij op Lazarus! We moeten met luide stem tevoorschijn geroepen worden. En met doeken voor onze ogen en aan handen en voeten gebonden gaan wij onze weg. We zien het niet. Onze blik vertroebeld door van alles en nog wat. We zien het niet. We denken dat we van alles inzien en doorzien, maar we zijn ziende blind. De klamme lappen van de dood hangen voor onze ogen.

En onze handen en voeten zijn gebonden. We gaan voetje voor voetje onze weg van het geloof. Beperkt door drukte, door onze prioriteiten, door wat zo geweldig belangrijk is. En wat komt er uit onze handen? Vastgebonden machteloze handen. ‘Maak de doeken los en laat hem gaan’, zegt Jezus. We horen niet dat het gebeurt. We horen ook niet wat Lazerus die 4 dagen van zijn dood heeft meegemaakt. Nee, we horen niets meer. “Maak de de doeken los en laat hem gaan.’ Daarmee blijven we achter na dit hele verhaal over Lazarus.

Wat maken we uit dit alles op? Dat ons ongeloof de Heer diep raakt. Dat Hij er helemaal niets mee kan. Dat is niet leuk om te horen. Dat is geen complimentje. Jezus is een zonderling die in onze wereld verschijnt met een boodschap die we nauwelijks kunnen geloven, maar dat is juist wat Hij van ons vraagt.

Hij zegt dat Hij ons leven is, leven sterker dan de dood. Leven dat niet kapot kan. Wij leven. Wij leven eeuwig. Wij leven zelfs als we sterven. Dat is de vermetele boodschap van van deze zonderlinge Zoon van God. 

Wie vertrouwt op Jezus Christus, wie met Hem op God vertrouwt, die leeft. Is dat een dooddoener? Praten we nu over de dood heen? Misschien wel. Maar misschien is dat ook het verschil tussen Sire en de Heer. Hij mag over de dood heen praten, omdat Hij over de dood heen leeft. Hij is gestorven – echt, zoals wij – en Hij leeft! 

De opwekking van Lazarus is een voorproefje van wat komt. Jezus Christus zelf staat op. En Hij staat nog op waar wij met Hem leven, waar zijn liefde onze liefde is geworden, waar zijn geloof ons geloof is geworden. Daar komen ook wij uit ons graf. De doeken los en daar gaan we. Ons ongeloof heeft Hem niet weerhouden zijn weg te gaan. Godzijdank.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.