Deze preek hield ik vanmorgen… niet. Een positieve zelftest verhinderde mij naar naar de kerk te gaan. Gelukkig kon een in allerijl opgenomen versie van deze preek worden vertoond. Johannes 12:20-36 werd gelezen.

Je kunt de preek ook hier beluisteren.

Vorig jaar heb ik ook over het gedeelte wat we net gelezen hebben gepreekt. … Je weet het nog, toch? Het was een goede preek, he? Voor degene die er toen niet waren, zal ik kort samenvatten wat ik toen gezegd heb.

Die Grieken die hier opduiken vormen voor Jezus een geweldige verleiding. Zij zijn in tegenstelling tot zijn volksgenoten wel in Hem geïnteresseerd. En Jezus zou naar hen toe kunnen gaan. Hij zou zijn eigen volk kunnen verlaten en zich kunnen keren tot hen die Hem wel aanvaarden. 

Maar Jezus weet dat dat niet kan. Hij kan er niet tussenuit knijpen. Hij realiseert zich dat zijn weg niet de weg van de minste weerstand kan zijn, maar dat zijn weg de weg zal zijn om te midden van zijn volk te lijden en te sterven. 

Jezus weet dat Hij de hele geschiedenis van zijn volk, ook alle mislukkingen, helemaal opnieuw zal moeten doen, om zo de geschiedenis van zijn volk te openen naar de toekomst. Alleen dan zal Israël worden wat het bedoeld is te zijn, een zegen voor alle volken. 

Jezus begrijpt dat Hij nu kan kiezen voor die paar Grieken, maar dat Hij wanneer Hij zijn weg ten einde gaat, Hij een zegen kan zijn voor alle volken. Vandaar dat woord over die graankorrel. Alleen door te sterven draagt de graankorrel vrucht. Jezus begrijpt dat zijn weg dwars door de dood zal gaan. 

En Hij zegt er achteraan dat voor wie Hem volgen wil de weg niet anders zal zijn. De weg van de minste weerstand, de weg van zelfbehoud, de weg van het ego, die weg is uitgesloten voor wie Jezus Christus volgen wil. ‘Wie mij dient moet mij volgen: waar ik ben zal ook mijn dienaar zijn, en wie mij dient zal door de Vader geëerd worden.’

Daar heb ik het vorig jaar over gehad. Nu herinnert u het zich weer. 

Ik wil vanmorgen stilstaan bij het vervolg en dan met name bij die stem uit de hemel. Daar heb ik vorig jaar een beetje omheen gepreekt. Dat is ook het meest wonderlijke moment in dit gedeelte. En dus is het ook het lastigst om je voor te stellen. Een stem uit de hemel. Heb je ooit een stem uit de hemel gehoord? 

En tegelijkertijd raakt die stem uit de hemel ons ook. Want wat zouden we af en toe graag zo’n stem willen horen! Een stem uit de hemel… ‘En nu kappen, Wladimir!’ Een stem die ons helpt bij lastige beslissingen. Een stem die onze vragen beantwoord. Een stem die zegt waarom. 

Laten we eerst maar eens even goed kijken hoe het zit me die stem in onze Schriftlezing. In vers 27 zegt Jezus: ’Nu ben ik doodsbang.’ Dat vind ik niet helemaal lekker vertaald. Het woord wat hier staat, betekent dat Jezus heen en weer geslingerd wordt. Er speelt wel angst mee, maar het gaat hier om een sterke innerlijke tweestrijd. Jezus realiseert zich dat zijn tijd gekomen is. Het moment van de waarheid. Nu zal zijn weg alleen dwars door de dood naar het leven leiden.

Die tweestrijd hoor je ook in het vervolg. ‘Wat moet ik zeggen?, zegt Jezus. ‘Vader, laat dit ogenblik aan mij voorbijgaan?’ Dat zou Jezus kunnen vragen en de Vader zou het Hem nog niet eens weigeren ook. Maar als dit ogenblik voorbij gaat, dan is Jezus’ kans verkeken. Zijn kans de Messias te zijn, de Christus, de redder van de wereld, de verlosser. Nee, dus Hij kan wel vragen of dit aan Hem voorbij kan gaan, maar zo zegt Hij: ‘…hiervoor ben ik juist gekomen.’ Jezus realiseert zich dat wat Hij ook kiest de prijs hoog zal zijn. Als Hij doet wat Hij moet doen, dan kost Hem dat zijn leven. Als Hij nu wegduikt, dan kost Hem dat zichzelf. De prijs is hoog.

En daarom bidt Jezus: ‘Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader.’ Jezus doet in dit moment van innerlijke tweestrijd een beroep op God zelf. Hij vraagt zijn hemelse Vader Hem bij te staan bij het maken van de onontkoombare keuze waar Hij zich voor gesteld ziet. En op dit gebed volgt de stem uit de hemel. Jezus ontvangt in zijn tweestrijd een heldere bevestiging van zijn keuze.

Wat valt op aan die stem? Ten eerste dat wat die stem zegt naar een Bijbeltekst verwijst. ‘Ik heb mijn grootheid getoond en ik zal mijn grootheid weer tonen.’ Dat klinkt als woorden uit 1 Samuel 2:30. Daar zegt God: ‘Wie mij hoogachten, acht ik hoog…’ En Jezus verstaat die tekst zo dat God zegt dat Hij zijn Zoon in de vernedering van de kruisdood verhoogt. ‘Ik zal mijn grootheid weer tonen.’ In de moeilijke omstandigheden waarin Hij zich bevindt, spreekt een Bijbeltekst Jezus zo aan dat Hij die tekst hoort als woorden die voor Hem bedoeld zijn. Zeg ik nu dat die stem uit de hemel niet klonk, maar dat Jezus alleen maar een Bijbeltekst te binnen schoot? Nee, maar ik zeg ook niet dat je die twee tegen elkaar uit moet spelen.

Zoals altijd in het Johannesevangelie leidt dit intense moment direct tot misverstanden. Sommigen horen het in Keulen donderen. Anderen denken aan een engel. Het is opmerkelijk dat Jezus zegt dat de stem niet voor Hem heeft gesproken, maar voor de omstanders. Voor ons dus. Wij krijgen door die stem uit de Schrift te horen hoe we Jezus’ weg moeten interpreteren. Zijn weg van lijden en sterven is een weg van verhoging. Wij zien een mens lijden, maar het is God die ons redt. Wij zien een mens sterven door de machten die deze wereld overheersen, maar het is zijn overwinning op die machten. Niet de haat wint, maar de liefde. 

Die stem uit de hemel horen wij. Ons wordt verteld dat hij heeft geklonken. De vraag is of wij hem zo willen horen. Dit is wat de hemel, God, over Jezus’ weg zegt. Het is zijn verhoging. Wil je dat geloven? En wil je daarin mee?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.