Vanmorgen ging ik voor in mijn vorige gemeente, de Dorpskerk in Barendrecht. Op het leesrooster stonden Spreuken 1:20-33, Psalm 35 en Johannes 15:18-27. De dienst begon met Psalm 43. Al deze teksten hoor je terug in mijn preek.

Soms hoor je iemand iets zeggen en dan denk je meteen: daar zit iets achter. Deze woorden klinken zo dat er meer moet zijn. Als iemand net te stellig is, of net iets te snel of te hard praat. Of cynisme. Sommige mensen kunnen heel cynisch zijn. Ik heb ooit ergens gehoord of gelezen: cynisme is teleurgestelde liefde. En het is me al zo vaak overkomen dat als ik dan doorvroeg wanneer iemand heel cynisch of sarcastisch uit de hoek kwam, dat er inderdaad liefde onder zat. Liefde die teleurgesteld was, of afgewezen, of genegeerd.

Het evangelie van deze morgen roept ook de gedachte op: daar zit iets achter. Het is geen fijn stukje Johannes. Het woord dat telkens valt is haat. Het staat tegenover elkaar.

‘Ze hebben mij zonder reden gehaat.’ In dat zinnetje zit volgens mij de diepe pijn van het evangelie van deze morgen. ‘Ze hebben mij zonder reden gehaat.’ En als je de pijn nog preciezer wilt aanwijzen, dan kom je uit bij die woorden ‘zonder reden’. Dat ze je haten, dat is erg, maar zonder reden, zomaar, dat doet zeer.

Er spreekt een diep onbegrip uit die woorden ‘zonder reden’. Dat ze je haten om iets wat je gedaan hebt, om iets wat is voorgevallen, zelfs al is het iets onbenulligs, dat is tot daar aan toe, maar dat ze je haten en je begrijpt er niets van, dat je werkelijk geen idee hebt waarom, dat is onverdraaglijk. (Voorbeeld eieren pastorie) 

Dat diepe onbegrip hoorden wij ook al aan het begin van de dienst in Psalm 43. Waarom?, zo klonk het. Waarom? Waarom? En Vrouwe Wijsheid begrijpt er ook al niets van. En in haar venijnige woorden hoor je haar gekwetste hart. En in Psalm 35 ging het ook over ‘de redeloze haat’. Dat doet zo’n zeer, zomaar gehaat worden.

‘Ze hebben mij zonder reden gehaat.’ We horen het uit de mond van Jezus. Hij citeert die Psalm 35. Dat zegt Hij er ook bij: ‘Zoals in hún schriften staat.’ Terwijl het toch ook zijn Bijbel is, terwijl het toch ook de Bijbel is van Jezus’ leerlingen tot wie Hij dit zegt.

We horen in de bittere toon van onze Evangelielezing het bittere lot terug van de Jezusbeweging aan het einde van de eerste eeuw, toen Johannes zijn evangelie schreef. Na de verwoesting van de tempel in het jaar 70 n.Chr. werd de synagoge het centrum van de religie en dus ook het centrum van de lokale macht. Het leven van de gewone man werd vanuit de synagoge vormgegeven en gestuurd. En zolang die synagoge zorgde voor rust onder het volk, lieten de Romeinen de synagoge met rust. De Jezusbeweging werd gezien als een beweging van onruststokers en dus zette de synagoge de Jezusbeweging eruit. 

En zo werden zij een kleine kwetsbare minderheid in het grote Romeinse Rijk. In het Johannesevangelie hoor je voortdurend de verbijstering en woede daarover terug. Waarom heeft de synagoge de Jezusbeweging laten vallen? Waarom heb je ons losgelaten? Waarom heb je ons er uitgezet? Waarom heb je ons overgeleverd aan de grillen van de Romeinen? Waarom heb je ons onschadelijk willen maken? Waarom heb je geen geloof gehecht aan de woorden van je broeder Jezus? Waarom heb je Hem die de geschiedenis van jouw volk van A tot Z heeft overgedaan, heeft vervuld, waarom heb je Hem overgeleverd? Waarom heb je Hem gedood? En waarom kan het je niet schelen dat ook wij gedood worden?

Wat Johannes tegen zijn zusters en broeders wil zeggen, is: kijk, wat ons overkomt, dat is Jezus ook overkomen. En wat Jezus overkomt, dat is wat Gods volk telkens overkomt. Het is niets nieuws. Het hoeft je niet te verontrusten. Het hoeft je niet van je stuk te brengen. Als het onze Heer gebeurt, waarom zou het dan ons niet gebeuren? Als ons grote voorbeeld, onze leider, onze voorman het overkomt, ja, dan ons toch ook?

Ons wordt vanmorgen gevraagd stil te staan bij het onbegrijpelijke van Christus’ lijden. De redeloze haat waar Hij aan ten onder gaat. Je kunt allerlei verklaringen geven voor het lijden van Jezus Christus, maar uiteindelijk, in de kern, is het ook gewoon onverklaarbaar. Waarom zou je Hem verwerpen? Hij die de goedheid zelve is. Hij die de blinde laat zien, de lamme laat lopen, de zieke geneest, ja, de dode opwekt, waarom moet Hij dood? Dat is toch gewoon onnodig? 

‘Ze hebben mij zonder reden gehaat.’ Ergens is dat de diepe pijn van het menselijk bestaan. Waarom al die haat? Je kunt allerlei verklaringen geven, er zijn dikke boeken over geschreven, maar ergens slaat het nergens op. Het kwaad heeft iets absurds. 

Waarom die oorlog in Oekraïne? Twee broedervolken tegenover elkaar. Je kunt allerlei filosofische concepten op loslaten, je kunt er allerlei geopolitieke beschouwingen tegenaan zetten, en dat moet ook, en je kunt proberen in het hoofd van Poetin te kruipen, en dat is geweldig interessant, maar het blijft ook onbegrijpelijk. Waarom zou je, Vladimir? Trump ging gewoon golfen als het hem allemaal niet meer zo interesseerde… Dat was ook onbegrijpelijk, maar waarom zou je een oorlog beginnen? Zo zinloos, al die doden, gewonden, trauma’s, vluchtelingen…

Zo is er ook in de levens van mensen zoveel waarvan je uiteindelijk moet zeggen: waarom? Zoveel zinloze, nodeloze, gedachteloze, grenzeloze, zoveel loze woorden, zoveel redeloosheid. En het is om ons heen, het is ook in ons. Wie zijn eigen hart kent, weet ook van al het redeloze in onszelf. Het absurde in jezelf. ‘Ze hebben mij zonder reden gehaat.’

En aan al dat redeloze is Christus gestorven. Door de haat zonder reden. Het slaat nergens op, maar Hij wordt gedood. Je kunt er van alles over zeggen, theologen doen dat graag, je kunt er van alles over zingen, van Opwekking tot Oosterhuis, van de Matthaus tot The Passion, maar ergens is er ook het verbijsterd zwijgen om waar geen woorden voor zijn. ‘Ze hebben mij zonder reden gehaat.’ Zonder reden! 

Waarom zouden ze? Deze dag voelen wij de verbijstering om de redeloze haat waarmee Christus wordt geconfronteerd. En ergens voelen wij die verbijstering ook als verbijstering over onszelf. Wij hebben Hem zonder reden gehaat. Wij hebben alle reden om Hem te dienen, alle reden om naar Hem te luisteren, alle reden om Hem in alles de belangrijkste te laten zijn, en we hebben het niet gedaan. Het lukte niet, het gebeurde niet, we deden het niet.

Zonder reden. In een redeloze wereld komt Jezus Christus, een wereld die geen redenen nodig heeft om tegen Hem te zijn. En in die wereld vindt Hij redenen om lief te hebben. Of, om het klassiek te zeggen, Hij neemt redenen uit zichzelf. Hij heeft ons zonder reden liefgehad. 

Hij heeft ons zonder reden liefgehad. En zo heeft Hij de haat overwonnen. Zijn liefde tot het uiterste, tot in de dood, zijn volgehouden liefde, is de overwinning op het kwaad. De haat kreeg geen vat op Hem. De redeloze haat bleek een machteloze haat.

Het kwaad heeft z’n meerdere moeten erkennen in Hem. Dat is wat wij in deze passietijd ook tot ons door laten dringen. Dat vooral, zou ik zeggen. Als wij Christus’ weg volgen, dat wij dan telkens denken: daar zit iets achter. Dat wij dan telkens denken: hier zit liefde achter. 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.