Vandaag ging ik voor in de Barbarakerk in Culemborg, in de gemeente waar ik ooit leervicaris was. Op het leesrooster stond Johannes 20:19-31. Daar horen we over een eerste ontmoeting van de opgestane Heer met zijn leerlingen. Christus zegt onder andere tegen hen: ‘Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’ Dat leek mij de lastigste tekst in de evangelielezing, en dus wilde ik het daar over hebben, over vergeving, vergeving van zonden.

‘Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’ We horen het Christus zeggen op die avond van de eerste dag van de week. ’s Ochtends heeft Maria het graf leeg aangetroffen. Petrus en Johannes zijn komen kijken, hebben gezien dat het graf inderdaad leeg was en zijn weer naar huis gegaan. En toen heeft Maria de Heer ontmoet en daarvan heeft ze Jezus’ leerlingen verteld.

Het was me het dagje wel. En als de avond valt, is Jezus daar opeens. De leerlingen hebben de deuren op slot gedaan. Daar zitten ze, verward, angstig, opgesloten in zichzelf. Maar dat houdt de Heer niet tegen. En als Hij zijn mond open doet, dan klinkt tot onze verbazing een vredeswens. ‘Vrede zij met jullie.’ Hij had van alles kunnen zeggen, een vraag, een verwijt, een pijnlijke stilte had ook gekund, maar zijn eerste woord is vrede.

En Hij toont zijn leerlingen zijn wonden. Hij is het echt. Hij identificeert zich door zijn wonden. Ook als de opgestane is Hij de verwonde mens. Zijn lijden was niet een hinderlijke onderbreking, maar het maakt wezenlijk deel uit van wie Hij is. Tot op de dag vandaag draagt Hij de littekens met zich mee.

En meteen neemt Hij zijn leerlingen weer in dienst. Hij zendt hen uit. Hij zendt hen uit om wat Hij deed voort te zetten. Hij leeft voort in zijn leerlingen. Hij staat in hen op. De Geest die in Hem was, krijgen zij ook. Bij Johannes is het Pasen en Pinksteren op één dag. Het is een beweging van opstaan en uitzenden.

En dan dus die struikeltekst waar ik het vanmorgen over wil hebben: ‘Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’ 

Ik noem dat een struikeltekst, omdat hier iets gezegd wordt waar je over struikelen kunt. De leerlingen en ik hoor de woorden van Christus over hun hoofden ook tot ons gericht, krijgen een grote verantwoordelijkheid. Een verantwoordelijkheid waarvan je je kunt afvragen of die niet te groot is voor ons mensen.

Vergeving is een heel precair onderwerp. Het luistert nauw. Er gaat ook veel mis op dit punt. Henri noemt vergeving in Kijk op geloof om die reden een bijzonder cadeau. Een cadeau wat je alleen kunt geven als de ontvanger het wil krijgen. Vergeving kun je alleen geven als de ontvanger erkent dat hij vergeving nodig heeft. Als de ontvanger geen verantwoordelijkheid neemt voor wat hij deed of naliet, of als de ontvanger niet meer leeft, dan is vergeven heel lastig, zo niet onmogelijk. 

Henri wijst er ook op dat mensen soms te snel vergeven, omdat ze denken dat dat moet, van God of van Jezus of van de kerk. Er wordt om die reden soms ook te makkelijk om vergeving gevraagd, zonder echter erkenning van schuld. De gevolgen van te snelle vergeving zijn vaak desastreus. Aan de andere kant zie je soms ook dat waar vergeving uitblijft men steeds verder van elkaar vervreemd raakt. Men graaft zich in in de loopgraven en soms zien mensen elkaar om iets heel kleins jaren niet.

‘Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’ Het is nogal wat wat Christus ons hier in handen geeft. Het is de hoogste tijd dat we eens gaan kijken naar wat Christus zegt. Wat wordt er bedoeld met die woorden over vergeving?

Het belangrijkste wat ik met u wil doen deze morgen is proberen deze woorden over vergeving een beetje minder christelijk te horen. Vergeving is nu echt zo’n woord waarvan we meteen denken dat we wel weten wat het betekent. Vergeving is dat je straf verdient, maar die toch niet krijgt. Zonden is ook zo’n woord. Zonden zijn de dingen die je niet mag doen, maar toch doet. Wij horen Christus’ uitspraak dan ongeveer zo: jullie mogen bepalen wie er wel en geen straf krijgen voor de verkeerde dingen die ze deden.

Is dat nu wat Christus zeggen wil? U heeft allang door dat de vraag stellen de vraag beantwoorden is. Nee, Christus bedoelt iets anders. Laten we eens kijken of we dat anders op het spoor kunnen komen.

Wie had in de tijd van Jezus de macht om te vergeven of niet te vergeven? Wie bepaalde dat? Was het niet Pilatus die de misdadiger Barabbas vrij liet en de onschuldige Jezus als misdadiger liet kruisigen? Vergeven of niet dat deed in die tijd de Romeinse stadhouder. Hij bepaalde wie jij was, hij ging over schuld en onschuld, over leven en dood. En die macht had hij niet van zichzelf. Uiteindelijk stond bovenaan de voedselketen van het Romeinse Rijk de keizer in Rome. Als hij iemands zonde vergeeft, dan zijn ze vergeven; vergeeft hij ze niet, dan zijn ze niet vergeven. 

En Jezus zegt dus dat die ongekende macht, die positie om te oordelen, om allesbepalend te zijn, dat die macht ligt bij dat kleine groepje bange mensen, in die bovenkamer, met de deur op slot. Die ultieme macht ligt bij ons. Jij beslist, jij bepaalt, jij vergeeft. Jezus keert de verhoudingen om. Toen en nu.

Die macht krijgen wij van de opgestane. Hij heeft de dood overwonnen. En Hij zendt ons uit, om in zijn Geest, zonden te vergeven. Om mensen los te maken van de zonden. Want zo staat het er letterlijk, het Griekse woord voor vergeving betekent losmaken. Vergeving is niet dat je geen straf krijgt, vergeving is dat je wordt losgemaakt van wat je hebt gedaan. Je valt niet langer samen met wat je deed, je wordt ervan losgemaakt. Zoals je in die tijd een slaaf zijn ketenen afnam, losliet en wegstuurde. Vergeving is bevrijding. Vergeving is bevrijdend.

Je wordt losgemaakt van je zonden. Het probleem met zonden is niet dat je een regel hebt overtreden, of dat je iets hebt gedaan wat niet mag. Het probleem met zonden is dat je door wat je deed of naliet andere goden hebt gediend. Afgoden. Geld, status, macht, genot, ego, veiligheid, dat soort afgoden. Zondigen is iets doen waardoor je deze goden dient. En door ze te dienen geef je ze macht over je leven. Je levert jezelf aan hen uit. Zonden maken je vast aan die afgoden. Ze ketenen je. Ze maken je slaaf. Ze ontmenselijken je, vernederen je, vervreemden ze van jezelf. Zonde is dus alles wat je minder mens maakt, je vernedert, alles wat je vervreemdt van jezelf, je naaste en van God.

Vergeven is iemand zijn menselijkheid teruggeven. Zeggen: jij bent voor mij meer dan wat je gedaan hebt, wij hebben meer met elkaar dan dat. Leven in de geest van Jezus dat is mensen weer bij elkaar laten horen, thuis laten komen bij zichzelf, bij anderen, bij God. 

‘Vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’ Dat wil niet zeggen dat Jezus ons de mogelijkheid aanreikt om in wrok te leven tegenover iemand die ons iets misdeed. Het is een waarschuwing. Als jullie ze niet vergeven, als jullie mensen niet losmaken, dan blijven ze vastzitten. Je kunt niet wachten op die keizer in Rome of een van zijn trawanten, jullie zullen de mensen los moeten maken. Als jullie ze niet vertellen dat het anders kan, dat het anders is, dat de Heer is opgestaan, dan blijven ze vastzitten, dan blijven ze slaven van die afgoden, die afgoden die niets om hen geven.

Hoe valt het woord van Christus in ons leven? Hoe zit het met vergeving in onze tijd? Ik wil een ding noemen dat mij gelijk te binnen schieten als ik Christus’ hoor zeggen: ‘Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’ 

Wij geloven allemaal ergens dat als je de goede keuzes maakt, het ook goed met je zal gaan. Die overtuiging zit in de lucht. Je leven is een project en als je het goed aanpakt, dan zal het project slagen. De wereld is een enorme supermarkt waar je van alles kunt krijgen om jouw leven te laten slagen. 

Je moet het wel zelf doen. En we zijn er maar druk mee, zeker nu de pandemie weer voorbij is. We gaan naar de juiste feestjes, we kopen de goeie spullen, gaan naar de leukste festivals, sporten om fit en straks te blijven, een opleiding om verder te komen, een gelukkig gezin, een spannende en lieve partner, een mooi huis met een torenhoge hypotheek – vergeet ik nog iets? O ja, we willen ook nog een beetje gelovig zijn. We matten onszelf volkomen af.

En op een dag lukt het niet meer. Dan is het op. En dan laten die afgoden die je zo trouw diende je gewoon aan de kant van de weg liggen. Opgebrand en leeg. Mislukt. En dan hebben we het zelf gedaan. En zo zijn we dubbel ongelukkig. We zijn niet alleen ongelukkig omdat we ongelukkig zijn, het is ook nog eens onze eigen schuld. Als wij het maar anders hadden gedaan. Zo onbarmhartig is onze tijd. 

Nee, dan vergeving! Vergeving is dat je wordt losgemaakt van de onmenselijk hoge eisen die deze tijd en wijzelf stellen. Vergeving is dat het allemaal niet meer hoeft. Vergeving is dat de macht van de afgoden van succes en voorspoed gebroken is. Vergeving is dat je bevrijd wordt van die afgoden. Je hebt ze ijverig gediend, je was ze volkomen toegewijd, maar nu is dat voorbij.

Jezus Christus, de opgestane, die de machten overwon, roept ons op die bevrijding te delen. De kerk is de plek waar wij niet hoeven, maar mogen. De kerk is de plek waar wij tegen elkaar zeggen: ‘Maar dat hoeft toch helemaal niet?’ De kerk is de plek waar je ongelukkig, onsuccesvol en onvolmaakt mag zijn. En niemand krijgt daar de schuld van.

De kerk mag nooit de plek worden waar wij opnieuw eisen aan elkaar gaan stellen. En laten we hier ook niet geloven dat het maakbaar is. Dat succes een keuze is en dat succes geen afgod is. Hier dienen wij de God die in Christus in ons midden staat. ‘Vrede’ is zijn wachtwoord, wonden zijn zijn identificatiebewijs. En Hij zendt ons uit om bevrijding te brengen. Want als wij het niet doen… 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.