Meteen naar de inhoud

‘Neem en eet’ – Ruth II

Vorige week preekte ik over Ruth 1. Vandaag lazen we in de Petruskerk in Woerden (foto) Ruth 2. Ik deed dit in de vorm van een vertelpreek: de Schriftlezing was in de preek verwerkt, ik preekte al vertellend.

In hoofdstuk 1 van het boek Ruth hoorden we verschillende namen: Betlehem (‘Broodhuis’, maar er was hongersnood), Juda (de belangrijkste zoon van Jakob), Moab (echt het buitenland). Er is een man die vanwege honger van Betlehem in Juda vertrekt naar de vlakte van Moab. Dan horen we zijn naam, Elimelech (‘Mijn God is koning, ironisch bedoeld?) , en die van zijn vrouw, Naomi (‘mijn lieflijke’), en hun twee zonen Machlon en Kiljon (‘ziek, zwak en misselijk’). En daarna Orpa en Ruth, de vrouwen van die zonen (‘weerbarstig’ en ‘vriendin’). Elimelech, Machlon en Kiljon sterven. Dat lot is zwaar voor Naomi en daarom klinkt tenslotte de nieuwe naam die Naomi aanneemt: Mara – bitterheid.

Is dat dan waar het eindigt? In de bitterheid? In de dood? Nee, want aan het begin van hoofdstuk 2 klinkt een nieuwe naam.

1Nu was Naomi van de kant van haar echtgenoot Elimelech verwant aan een moedig en invloedrijk man, die Boaz heette.

Boaz. Een nieuw persoon wordt ten tonele gevoerd. Althans, zijn bestaan wordt ons meegedeeld. Boaz betekent ‘in hem is kracht’. Dat belooft wat! Wat zal deze Boaz doen? Wat wordt zijn rol? De beschrijving van wie hij is, is ook al zo veelbelovend. ‘Een moedig en invloedrijk man.’ Daarin horen we dat Boaz al wat ouder is en dat hij het heeft gemaakt. Hij heeft een bepaalde rijkdom en een bepaalde macht.

Maar er is meer aan de hand. De woorden die voor Boaz worden gebruikt, ‘iesj giboor gajil’, worden ook in het boek Rechters gebruikt om sommige rechters te beschrijven. Boaz is ook een ‘iesje giboor gajil’, een rechter. Iemand die de Thora naleeft, niet alleen met woorden, maar van harte en metterdaad. Een ‘iesj giboor gajil’ is iemand die voorop gaat in het doen van de Thora. Ook in een tijd waarin ieder doet wat goed is in zijn ogen. We mogen wat verwachten van deze Boaz. Maar voordat hij werkelijk het toneel opkomt, keren we terug naar het huis waar Naomi en Ruth wonen.

2Ruth, de Moabitische, zei tegen Naomi: ‘Ik wil graag naar het land gaan om aren te lezen bij iemand die mij goedgezind is.’ Naomi antwoordde: ‘Doe dat maar, mijn dochter.’ 

Van de man van de Thora komen we terecht bij Ruth. De Moabitische staat er onnodig en daarom nadrukkelijk bij. Ruth is een vluchteling, een asielzoeker, een immigrant. Bovendien is ze weduwe en ze is ook nog eens wees. Het contrast tussen die invloedrijke herenboer Boaz en Ruth kan niet groter zijn.

Of toch niet? Ruth blijkt namelijk de Thora te kennen. Ze wil aren gaan lezen. Geheel tegen de verwachting in blijkt Ruth te weten dat er in de Thora staat dat de armen tijdens de oogst aren mogen lezen. (Leviticus 19:9-10 en Deuteronomium 24:19)

Je moet je dat zo voorstellen. Je hebt een veld met koren wat geoogst moet worden. De maaiers, meestal jonge mannen, beginnen op een rij te maaien en zo werken ze dat veld af. Achter die rij maaiers volgen een rij vrouwen die het gemaaide bij elkaar binden in bundels. En achter die rij volgenden dan ‘de vreemdelingen, de weduwen en de armen’. Zij mochten wat de maaiers vergaten te maaien en wat de meisjes niet bij elkaar gebonden hadden oprapen en gebruikt om in hun levensonderhoud te voorzien.

En Ruth weet dat dus! Hoe kan die Moabitische dat weten? Hoe kan het dat zij de Thora kent? Daar zijn allerlei verklaring voor te geven. Waar het mij om lijkt te gaan is dat we begrijpen dat hoewel Boaz en Ruth nauwelijks raakvlakken lijken te hebben, met elkaar verbonden zijn door de Thora, door Gods wetten en woorden. Dat schept een band.

3Ze ging dus naar het land om aren te lezen, achter de maaiers aan. Bij toeval kwam ze op de akker van Boaz, het familielid van Elimelech. 

Bij toeval? Wat is dat nu? Toeval bestaat toch niet? Het moest zo zijn. Opvallend is dat hier niet de Naam van de HEER klinkt. Het boek Ruth doet niet al te vroom over de lotgevallen van de hoofdrolspelers. Het is eerder de spiritualiteit van het toeval die hier klinkt. De dingen zijn zoals ze zijn. Soms komt alles bij elkaar, soms ook niet. Kun je dat zo laten zijn? Dat je het neemt zoals het is, het niet probeert te laten kloppen, dat het je soms gewoon toe-valt. En dan gewoon dankbaar zijn, niet denken dat je het verdiend hebt, dat het komt door jouw inzet of genialiteit, nee, het valt je toe.

Zo valt het Ruth toe dat ze juist op Boaz’ akker terechtkomt om aren te lezen.

Het lijkt er overigens op dat Ruth niet alleen de Thora kent, maar ook behoorlijk doortastend is. Er staat namelijk dat ze achter de maaiers aan aren leest. Ze sluit zich niet in de achterste gelederen bij de andere armen aan, maar begint heel vrijmoedig verder naar voren. Veel tijd om ons af te vragen of dat wel goed zal gaan, krijgen we niet, want kijk…

4Na enige tijd kwam Boaz zelf eraan, uit Betlehem. ‘De HEER zij met jullie,’ groette hij de maaiers. ‘De HEER zegene u,’ groetten zij terug. 

Als we al een hoge pet op hadden van Boaz dan nu helemaal. Het lijkt wel liturgie daar op dat veld. ‘De HEER zij met jullie.’ ‘De HEER zegene u.’ Boaz lijkt niet alleen op de rechters, hij lijkt ook wel een priester. Dat belooft wat!

5Boaz vroeg de voorman van zijn maaiers: ‘Bij wie hoort die jonge vrouw daar?’ 6De man antwoordde: ‘Dat is de Moabitische vrouw die met Naomi mee teruggekomen is. 7Toen ze hier aankwam zei ze: “Ik zou graag achter de maaiers aan willen gaan om aren te lezen bij de schoven,” en nu is ze hier al de hele dag, vanaf de vroege ochtend – ze heeft maar even gezeten.’

Boaz oog valt op het hem kennelijk onbekende meisje wat achter de maaiers aan aren leest. Bij wie hoort ze? Boaz stelt een heel normale vraag. Een vrouw hoorde in het oude nabije oosten altijd bij iemand. Ze was iemands dochter of iemands vrouw, of in een uiterst geval iemands weduwe. Boaz kende Ruth niet, maar zijn voorman praat hem bij. Hij vertelt dat dit nu die beruchte vrouw is die met Naomi mee is gekomen. Heel Betlehem heeft daarover gesproken als we Ruth 1:19 mogen geloven. Boaz zal er als belangrijke inwoner van de stad ook over gehoord hebben. Dit is ze dan. Ze duikt zomaar op op zijn akker. En ze blijkt een harde werker te zijn. De hele dag is ze al in de weer. Boaz gaat maar eens een praatje maken.

8Daarop zei Boaz tegen Ruth: ‘Luister goed, mijn dochter.

Boaz is waarschijnlijk dus een generatie ouder dan Ruth. Hij stelt zich vaderlijk op. Het is overigens uitzonderlijk dat Boaz ongetrouwd lijkt te zijn. Zoals een vrouw altijd van iemand is, zo had een man altijd een vrouw. Kent Boaz hetzelfde verdriet als Ruth, is hij weduwnaar? We weten het niet, maar opmerkelijk is het wel.

Je moet niet naar een andere akker gaan om aren te lezen; ga hier niet weg, maar blijf dicht bij de vrouwen die voor mij werken. 9Volg ze op de voet en houd je ogen gericht op het veld waar gemaaid wordt. Ik zal mijn mannen zeggen je niet lastig te vallen. Als je dorst hebt, ga dan naar de kruiken en drink van het water dat ze daar scheppen.’

Opvallend is dat Boaz tegen Ruth zegt dat ze dicht bij de vrouwen moet blijven en dat hij de mannen zal zeggen haar niet lastig te vallen. Boaz heeft de neiging Ruth te beschermen. Of is er een andere reden dat hij haar weg wil houden bij zijn jongens? Je zou bijna denken dat hij een oogje op haar heeft. Overigens, het lijkt er ook niet op dat Ruth deze bescherming nodig heeft. Ze heeft zichzelf heel vrijmoedig aangediend op die akker en is gewoon aren gaan lezen. En met dezelfde vrijmoedigheid gaat ze ook het gesprek met Boaz aan.

10Ze knielde, boog diep voorover en zei: ‘Waarom bent u zo vriendelijk voor mij? U behandelt mij goed, terwijl ik toch maar een vreemdeling ben.’ 11Boaz antwoordde: ‘Meer dan eens is mij verteld over alles wat je voor je schoonmoeder hebt gedaan na de dood van je man: dat je je vader en moeder en je geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat je volkomen onbekend was. 

Ruth noemt zichzelf een vreemdeling. Boaz lijkt dat te betwijfelen. In wat hij over Ruth zegt, klinkt namelijk iets anders door. ‘…dat je je vader en moeder en je geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat je volkomen onbekend was…’ Boaz gebruikt hier woorden voor Ruth die normaal gesproken voor Abraham gebruikt worden. Hij verliet zijn land en zijn familie om op pad te gaan naar een onbekend land. Boaz zegt tegen Ruth: je doet me aan Abraham denken. Hij ziet niet de vluchteling, hij ziet iemand die lijkt op de vader van alle gelovigen.

12Moge de HEER je daarvoor rijkelijk belonen – de HEER, de God van Israël, onder wiens vleugels je bent komen schuilen.’ 13‘U bent goed voor mij, heer,’ zei ze. ‘U biedt me troost en spreekt me moed in, terwijl ik niet eens bij u in dienst ben.’

Boaz is te goed voor Ruth. En niet alleen met woorden. We slaan vers 14 even over en lezen verder in vers 15.

 15Toen ze weer opstond om te gaan werken, gaf Boaz zijn mannen de volgende opdracht: ‘Laat haar ook tussen de schoven aren lezen, zeg daar niets van. 16Integendeel, jullie moeten juist wat halmen voor haar uit de bundels trekken en die laten liggen, zodat zij ze op kan rapen. Verwijt haar dus niets.’ 

Boaz spreidt zijn vleugels over Ruth en zorgt ervoor dat ze rijkelijk beloond wordt. Zou Ruth dat niet door hebben gehad? Zou ze niet begrepen hebben dat Boaz een man van God is, een man van de Thora? En dan niet eentje die zich zuinig precies aan de regels houdt, maar een die royaal is in zijn gehoorzaamheid aan God. Zal Ruth dat niet hebben gezien? Zou zij die zo royaal is in haar liefde en trouw aan Naomi, aan haar volk en haar God, dat ontgaan zijn? Dat kan bijna niet!

17Zij werkte tot de avond op het veld en sloeg de korrels uit de aren die ze geraapt had. Het was ongeveer een efa gerst. 18Ze pakte het op en ging terug naar de stad. Toen Naomi zag hoeveel ze verzameld had, en toen Ruth haar ook nog gaf wat ze van het middagmaal had overgehouden, 19riep ze uit: ‘Waar heb jij vandaag aren gelezen, waar heb je gewerkt? Gezegend de man die jou zo goed heeft behandeld!’

 Naomi, die dus als Bitterheid door het leven wilde gaan, verwacht dat haar schoondochter met beetje graan thuiskomt. Zo gaat dat als je verbitterd bent, dan verwacht je er niet veel van. Het is te mooi om waar te zijn. Het is te mooi om waar te zijn, maar het wordt nog mooier! Wie is toch Ruth’s weldoener?

 Ruth vertelde haar schoonmoeder dat de man bij wie ze die dag gewerkt had, Boaz heette. 20Toen zei Naomi tegen haar schoondochter: ‘Moge de HEER hem zegenen, want hij heeft trouw bewezen aan de levenden en aan de doden.’ En ze vervolgde: ‘Hij is een naaste verwant van ons en kan daarom zijn rechten als losser laten gelden.’ 

 De weldoener van Ruth blijkt familie. En dan valt het woord ‘losser’. En daar moet ik iets bij vertellen. Het oudtestamentische ideaal is dat iedere man een eigen stukje grond heeft. Elk gezin, elke familie een deel van het beloofde land. Dat land was je bestaanszekerheid, daar at je van, maar meer nog: doordat je van een stukje land kon zeggen ‘dat is van mij!, was je iemand.

Het kon zijn dat je je land dreigde kwijt te raken. Als je stierf zonder mannelijke erfgenaam. Of als je door schulden je bezittingen moest verkopen. Dat was een ramp. Dan raakte je alles kwijt, dan was je niemand meer.

Noaomi was dat overkomen. Haar man was gestorven en haar zonen ook. Ze kon als vrouw bij haar terugkeer geen aanspraak maken op het land wat ze ooit had.

Maar er was een uitweg. En dat is waarom Naomi hier het woord ‘losser’ gebruikt. Als jij je land moest verkopen, of als je zelfs jezelf als slaaf moest verkopen, of als je land in andere handen kwam doordat je kinderloos stierf, dan had je familie het recht om jouw land te kopen of jou vrij te kopen. Wie dat deed, was de ‘losser’. Losser omdat hij losmaakt. Hij maakt jou los, uit slavernij, uit je noodlot, hij bevrijdt. En omdat Boaz familie is, Ruth komt daar overigens nu pas achter, heeft Boaz het recht het bezit van Elimelech te verwerven. We zijn benieuwd! Ondertussen praten Ruth en Naomi verder.

 21Ruth, de Moabitische, zei: ‘Hij heeft ook nog tegen me gezegd dat ik bij zijn maaiers moest blijven totdat zijn hele oogst is binnengehaald.’ 22‘Het is goed dat je optrekt met de vrouwen op zijn land, mijn dochter,’ zei Naomi tegen Ruth, ‘want dan zal niemand je op een ander veld lastig kunnen vallen.’ 23Ze bleef dus aren lezen bij de vrouwen die voor Boaz werkten, tot het einde van de gerste- en de tarweoogst. Al die tijd woonde ze bij haar schoonmoeder.

We zijn zo benieuwd wat Boaz gaat doen, maar het verhaal maakt een pas op de plaats. Drie maanden duurt de oogst. Ruth werkt op het land, woont bij haar schoonmoeder. Net nu het op gang kwam, stokt het verhaal. We horen niets over Boaz. Heeft hij Ruth van een afstand gade geslagen? Liet hij zich viavia op de hoogte houden van haar lotgevallen? We weten het niet. Zijn trouw aan de Thora en zorgzaamheid voor Ruth scheppen verwachting, en in het idee dat hij de losser van Naomi zou kunnen worden, gloort een nieuwe toekomst, maar om tot een doorbraak te komen, is er meer nodig. Daarover horen we in hoofdstuk 3.

Wat wij nu doen is terugkeren naar het vers dat we oversloegen. Vers 14.

14Toen het etenstijd was zei Boaz tegen haar: ‘Kom maar hier en neem een stuk brood en doop het in de wijn.’ Ze ging naast de maaiers zitten, en hij gaf haar geroosterd graan. Ze at tot ze genoeg had en ze hield zelfs nog over.

 Boaz deelt brood en wijn met Ruth. Hij nodigt haar aan tafel. ‘Neem en eet.’ Nu ook in ons midden de tafel gedekt is en wij genodigd worden om brood en wijn te delen, trekt vers 14 onze bijzondere aandacht.

En het is meer dan toevallig. Boaz is een man van de Thora, van Gods Woord. Hij is een man Gods die zich ontfermt over Ruth, vreemdeling, weduwe. Hij doet ons denken aan Hem die Gods hoogste woord is, de Zoon van God, die zich ontfermt over ons mensen.

Zoals Ruth worden wij aan tafel genodigd. En net als zij zeggen we: ‘U bent te goed, Heer.’ En reikhalzend, vol verlangen zien ook wij uit naar het moment dat Hij ons verlossen zal, ons bevrijdt uit slavernij en noodlot. ‘Kom maar hier, neem brood en wijn, ontvang mijzelf, het is goed.’

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.