Wat heeft het lezen van het boek Job ons nu opgeleverd? Zijn we verder gekomen? Hebben we iets geleerd? Weten we nu iets wat we eerder niet wisten?
Is Job iets opgeschoten? Is hij verder gekomen? Heeft hij iets geleerd? Weet hij aan het eind iets wat hij aan het begin nog niet wist?
Ik weet nog niet zo zeker. Het begon met een rijke en vrome Job en op het eind is hij nog rijker. Of hij ook vromer is? ‘Ik héb U horen spreken en nu heb ik gezien wie U bent’, zegt hij tegen God, ‘daarom zal ik verder zwijgen…’ Of dat nu klinkt als een verdiept geloof?
Het slot van het boek Job is als je het zo bekijkt teleurstellend. Na al die hoofdstukken waarin het op het scherpst van de snee ging, het ging over de waarheid, over leven en dood, eindigt het met Job die als pater familias, welgevoed en tevreden de kring rondkijkt, met zijn succesvolle zonen en prachtige dochters, met z’n hele schare klein- en achterkleinkinderen, een zucht van tevredenheid slaakt.
[Zoals Peter Fox in Haus am See zingt: ‘Und am Ende der Straße steht ein Haus am See / Orangenbaumblätter liegen auf dem Weg / Ich hab’ zwanzig Kinder meine Frau ist schön / Hmm, alle kommen vorbei ich brauch’ nie rauszugehen / Hier bin ich geboren, hier werd’ ich begraben / Hab’ taube Ohren, ’n weißen Bart und sitz’ im Garten / Meine hundert Enkel spielen Cricket auf’m Rasen / Wenn ich so daran denke, kann ich’s eigentlich kaum erwarten.]
En wij, hoe zitten wij erbij aan het einde van het boek Job? Tevreden? God blijkt gewoon de God te zijn die we al dachten: degene die goede mensen beloont. De God die je toch niet kunt begrijpen. Die almachtig, algoed, alwetend is en waar je het als mens dus altijd tegen aflegt.
Toch zitten er een paar barstjes in deze samenvatting van het boek Job. ‘There is a crack in everything – that’s how the light gets in.’ Het is allemaal een beetje over de top in het de laatste verzen van het boek Job. Of, een beetje? Het is ongelofelijk allemaal. Job was al de rijkste man op aarde en nu wordt hij nota bene twee keer zo rijk. Zoveel dieren, 23.000! Getallen zo groot dat ze nietszeggend worden.
En zomaar ook weer tien kinderen. Bij diezelfde vrouw van de eerste tien? Ik geef het je te doen. En dan die dochters van Job. Geen mooiere vrouwen dan die drie. Jemima, Kesia en Keren-Hapuch. Het is jammer dat onze Bijbelvertaling hun namen onvertaald laat. Duifje, Parfumpje en Make-upje. Volkomen kitsch. Zo zoet dat het glazuur van je tanden springt als je er alleen al naar kijkt!
Ik denk dat de schrijver van het boek Job, geïnspireerd door de heilige Geest, ons heel bewust bij dit mierzoete slot brengt. Als hij dat niet gedaan had, dan zou er namelijk iets helemaal verkeerd gaan.
Het boek Job had kunnen eindigen bij Job als geloofsheld. Als degene die God had begrepen. Als degene die moedig zijn lijden droeg. Als de vermetele mens die staande bleef in de storm. Als degene die het gelukt was, een goed mens en dus succesvol. The Good Guy.
Dan zou het boek Job eindigen met opnieuw een hemelse scene. Zo van: ‘Op een dag kwamen de hemelbewoners hun opwachting maken bij de HEER, en ook de satan bevond zich onder hen. De HEER vroeg hem: ‘Waar kom je vandaan?’ Hij antwoordde: ‘Ik heb rondgezworven en rondgedoold op aarde.’ De HEER vroeg aan satan: ‘Heb je ook op mijn dienaar Job gelet?’ De satan antwoordde de HEER: ‘Ik heb Job toch maar mooi zover gekregen dat hij zijn geboortedag vervloekte en dat hij U voor het gerecht daagde. Zo diep zat die vroomheid dus niet bij Job.’ De HEER zei: ‘Je begrijpt het nog steeds niet hè? Dat ik liever een mens heb die met mij de strijd aangaat dan eentje die gelovig of niet gelovig meent te weten hoe het zit.’ Hierop vertrok de satan. En toen stuurde God een engel naar Job en die vertelde hem alles wat er zich in de hemel had afgespeeld. En toen begreep Job hoe het zat, een droevige glimlach en een blik in de verte. En hij stierf, oud en verzadigd van het leven.’
Maar nee, dat staat er niet. En dat staat er met een reden niet. Het boek Job laat ons niet eindigen bij bewondering voor Job. En het laat ons niet eindigen bij het gevoel dat wij zoals Job zouden moeten zijn. En dus ook niet bij het gevoel dat wij het niet redden om als Job te zijn. Want zo’n filmheld is leuk, maar zo zit het echte leven niet in elkaar. Ons leven gaat door. Na elk dieptepunt en na elk hoogtepunt. Bij ons geen aftiteling, maar de afwas, zullen we maar zeggen.
Job eindigt in burgerlijke tevredenheid. In lachwekkende rijkdom. En suikerzoete romantiek. En zo wordt ons Job ook weer ontnomen. Hij kan onze held niet blijven. Wij verlaten na het toneelstuk niet met een bezwaard gemoed de zaal. De last van ons lot, de zwaarte van het lijden, de afgrond van de dood, ze blijven niet op ons drukken. We mogen met een glimlach naar huis.
Er is geen sluitende theorie over het kwaad en het lijden. Er is geen geloofsheld, geen voorbeeldig geloof, wat wij zouden moeten hebben, maar niet hebben. Het boek Job zegt ons niet dat wij het lijden zo moeten dragen. Als het ons lukt om ondanks alles wat ons overkomt de fragmenten van geluk te zien en er misschien zelfs van te genieten, dan is dat al heel wat.
Wij sluiten het boek Job met een weemoedige glimlach. Het boek Job dat staat in hetzelfde boek als de woorden van apostelen en evangelisten. De woorden over Jezus. Over hoe Hij de zwaarte van onze geschiedenis, de pijn van het lijden en de last van ons lot heeft gedragen. Zijn leven eindigde niet in lachwekkend succes. Zijn leven eindigde ook niet aan het vernederende kruis. Zijn leven gaat door. Hij staat op.
Zijn leven gaat door in mensen die weten dat ze God niet kunnen vangen in hun ideeën. Niet in onze verlichtte liberale ideeën en niet in onze doortimmerde orthodoxe ideeën. En wij kunnen het lijden niet verklaren. Niet met onze gelovige redeneringen en niet met ons vermetel verzet. Jezus Christus leeft voort in mensen die solidair zijn met wie lijden, die oog en oor hebben voor wie met lege handen staat. Hij leeft voort in mensen die weten dat het lijden een plek kan zijn waar je God ontmoet. Kan zijn. Er zijn geen automatismen.
Wij hebben maar één geloofsheld en dat is Jezus Christus. In wat ons overkomt, is Hij te vinden. In wat ons overkomt, is Hij dichtbij. In wat ons overkomt, troost Hij ons. Dat is de goed boodschap. Geen mierzoet sprookje, geen sluitende theorie, maar een mens naast ons. Niet: ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’, maar ‘Ik ben met jullie tot aan de voltooiing van de wereld.’ Geen ‘Hou vol’, maar ‘het is volbracht’. Geen God die zich hult in geheimen, maar een God die zich laat kennen in een mens die met ons lijdt. Wij hoeven ons lot niet zelf te dragen.
Zo zijn wij toch verder gekomen na het lezen van het boek Job.

Geef een reactie