Toch nog Trinitatis

Het is nog niet zo makkelijk om te preken op zondag Trinitatis, de zondag van de Drie-eenheid, het dogma dat Vader, Zoon en heilige Geest drie personen zijn, maar dat wij in die drie de ene God te maken hebben. Over dat dogma kun je niet preken. Het dogma is voor de verkondiging slechts een spreekregel. Als je op christelijke wijze over God wilt spreken, dan spreek je altijd over Vader, Zoon en heilige Geest. Maar het dogma zelf wordt niet verkondigd. Iemand zei daarom ooit: ‘Het dogma is het enige dat mag slapen in de kerk.’

En dan krijgen we ook nog eens teksten aangereikt door het leesrooster die niets met Drie-eenheid te maken hebben. In zekere zin is dat niet waar. Eigenlijk heeft elke Bijbeltekst zodra die gelezen wordt in de kerk iets met de triniteit te maken, juist vanwege die spreekregel die ik net noemde. Niet voor niets besluiten we het lezen uit de Schrift altijd met de woorden ‘U komt de lof toe, U het gezang, o Vader, o Zoon, o heilige Geest, in alle eeuwen der eeuwen. Amen.’ Een trinitarische lofprijzing. Uiting van het geloof van de kerk dat wij in alles wat de Bijbel ons vertelt te maken hebben met die ene drie-enige God. 

Maar even afgezien daarvan hebben de teksten die voor vandaag op het rooster staan weinig met Trinitatis te maken. Behalve Openbaring 4 en Johannes 3 staat er ook nog een lezing uit Spreuken 8 op het rooster. Een lezing waar in de Wijsheid het woord neemt en zegt: ‘God schiep mij voordat Hij al het andere maakte. Ik was er al en heb het allemaal gemaakt zien worden.’ God begon met wijsheid. Dat is dus de bedoeling, dat is het beginsel: dat de dingen kloppen, dat ze met wijsheid samenhangen, dat er orde, logica, schoonheid en waarheid in de dingen zit. 

Muziek is zoiets. Hoe ellendig het in de wereld ook toegaat, tot wat voor gruwelijkheden mensen ook in staat zijn, hoe meedogenloos en mensonterend het ook is, onze werkelijkheid is niet helemaal slecht zolang er nog muziek is. Zolang er ook nog Bach is, zijn we niet reddeloos verloren. Muziek is een vrucht uit het paradijs. Niet iedereen heeft dat met muziek, en met Bach. Je kunt het ook vinden in de natuur, of in kunst, in dans, maar ook in wiskunde en poëzie. Het is allemaal orde, logica, wijsheid. Maar dat alles heeft dus niet specifiek met de Drie-eenheid te maken.

De lezing uit Openbaring 4, waar Johannes een kijkje in de hemel krijgt, gaat ook niet over de Drie-eenheid. ‘Er stond een deur open in de hemel.’ Het klinkt heel huiselijk, maar wie de blik naar binnen werpt, duizelt het. Er zit iemand op de troon. Iemand. Verder kun je niet gaan, meer kun je niet zien. Iemand. 

Maar wat een uitstraling! Het zindert in de hemel. Er gebeurt niets en tegelijkertijd is het één en al activiteit. Johannes op Patmos ziet het en het zal zijn lezers toen bemoedigd hebben. En het bemoedigt ook ons. Ondanks de schijn van het tegendeel wordt er geregeerd. Er is een hemelse krachtcentrale die alle aardse machten en krachten te boven gaat. Met Johannes kijken we om het hoekje. Straks tijdens de viering van de Maaltijd van de Heer stemmen wij met dat hemelse koor in. ‘Heilig, heilig, heilig.’ ‘U komt alle lof toe.’

Maar goed, nog niets over de Drie-eenheid. En ook als we Johannes 3 lezen dan komen we weliswaar God, Jezus en de Geest tegen, maar ook daar kun je niet een preek over de Drie-eenheid op baseren. Het trinitarisch dogma is ook pas van later datum. En ik hoorde afgelopen week dat het pas sinds 1334 is dat de kerk zondag Trinitatis op de kalender heeft staan. (Toch grappig dat in de kerk iets uit 1334 kan worden gezien als iets wat ‘er pas later bijgekomen is’.) 

Daar komt nog bij dat ik de afgelopen jaren, ik kon niet meer terugvinden wanneer precies, ik minstens twee keer ook in jullie midden mocht voorgaan op zondag Trinitatis. Ik heb toen mijn preek gehouden over de six-word-story. Zo’n klein verhaaltje van maar zes woorden. ‘Laat dit niet het hotel zijn.’ ‘For sale: childrens shoes, never worn.’ En dus ook: ‘God: Vader, Zoon en heilige Geest.’ De Drie-eenheid als kortste samenvatting van het verhaal van God. En ik heb gepreekt over die Drievuldigheidsicoon van Rublev waar iets zichtbaar wordt van de liefde die er is in God en hoe wij mensen daar in betrokken worden.  Nu wil ik echt niet overschatten hoeveel indruk mijn preken maken, maar ik wil jullie ook niet onderschatten en domweg die oude preek nog eens houden.

Goed, waar ga ik het wel over hebben? Ik moet u zeggen dat in de lezingen van vandaag een tekst het meest mijn aandacht trekt. Johannes 3 vers 16. Als je net als ik behoorlijk kerkelijk gesocialiseerd bent dan ken je deze tekst uit je hoofd. Ik ken hem uit de Statenvertaling. ‘Alzo lief had God de wereld dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe.’ 

Op de voorkant van uw liturgie staat het plaatje wat ChatGPT maakte toen ik vroeg om een afbeelding met een Statenvertaling die open ligt bij Johannes 3 vers 16. Er zitten een paar vreemde taalfouten in. Ik weet niet hoe je dat verder moet interpreteren.

Maar goed, terug naar die overbekende tekst. Als je iets minder kind aan huis was in de kerk en in het christelijke milieu, Johannes 3 vers 16 werd en wordt vaak geciteerd als een korte samenvatting van de Bijbelse boodschap. Als je dit Bijbelvers kent, weet je eigenlijk alles. 

Ik moet u zeggen dat ik altijd wat ambivalent ben geweest als het gaat om deze tekst. En niet alleen omdat het zo zonde is om de gelaagde rijkdom van de Schriften van Oude en Nieuwe Testament te reduceren tot één oneliner. Er zit ook iets in deze tekst zelf wat me van ongemak geeft. Een kriebel, jeuk.

Er zit iets dubbels in deze tekst. Het gaat over Gods liefde, die uitgaat naar de hele wereld, kosmos staat er letterlijk zo leerde ik ooit, en zo heeft de tekst iets geweldig ruims, iets van omarming. En zo gaat het ook verder: ‘…opdat een ieder…’ Het gaat dus iedereen aan. En dan volgt opeens de voorwaarde ‘…die in hem gelooft…’ En dan hoor je nog wel iets over ‘…eeuwig leven…’, maar de laatste woorden over ‘…verloren gaan…’ galmen toch het hardst na. En zo eindigt een tekst over liefde bij verloren gaan. En dat is je eigen schuld, had je maar moeten geloven.

De leesroostermakers vonden het ook nog raadzaam om de evangelielezing van deze zondag te laten eindigen bij Johannes 3 vers 16. Ik heb er voor gekozen de verzen die er op volgen bij te lezen. Ik weet niet of ze voor jou iets goed maken, misschien wel niet, want ook daar zitten passages in die zomaar onbegrip of ergernis kunnen oproepen. 

Ik heb die verzen toch laten lezen omdat ze volgens mij helpen om één van de in ieder geval drie misverstanden die Johannes 3 vers 16 oproept weg te nemen. Die misverstanden zijn: God, geloof en verloren gaan. 

En over dat verloren gaan zeggen die extra verzen dus iets wat je wel moet bedenken bij vers 16. Oordeel en verloren gaan doen ons sinds de middeleeuwen altijd denken aan walmende vuurpoelen en sadistische duiveltjes. En daar weet Johannes dus niets van. Het oordeel is bij hem hier en nu. Het oordeel is dat het licht komt en dat je het niet herkent. Dat je zo bezig bent met je duistere praktijken dat je het niet opmerkt. Dat is pas erg. Dat is pas verloren gaan. Dat je niet in staat bent het goede te herkennen. Dat je het niet meer weet. 

Wat je ziet op het nieuws. Mensen die zo zijn gaan geloven in hun eigen verhaal van verongelijktheid, slachtofferschap en woede, dat ze van goedheid, ontferming, vrede en gerechtigheid niet meer willen weten. Als wij onze werkelijkheid niet meer laten openbreken door Gods goedheid in menselijke gedaante, als wij zo druk zijn met onze eigen belangen, machtspelletjes en angsten dat wij Hem niet horen kloppen aan de deur, dan zijn wij verloren. Dat gebeurt in het groot en dat gebeurt ook in het klein. Dat je zo vol bent van jezelf dat je een ander niet meer kunt zien.

Dat over het verloren gaan. Misschien helpt je dit nog niet echt. Want je leest vers 18 nog eens. ‘Over wie in Hem gelooft wordt geen oordeel uitgesproken, maar wie niet in Hem gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet wilde geloven in de naam van Gods enige Zoon.’ En daarmee komen we op het tweede woord wat een misverstand oproept: geloof.

Bij geloven denk wij aan horen bij een bepaalde groep. Afgelopen donderdag nog ging ik voor in een uitvaartdienst van een gemeentelid uit Woerden. Een kleindochter hield een prachtig verhaal. Heel kwetsbaar, met zoveel liefde en waardering voor haar oma en met zoveel pretentieloze levenswijsheid. Aan het einde van haar verhaal zei ze: ‘Oma was gelovig, ik ben dat niet. Toch vertrouw ik haar toe aan God.’ Kijk, je moet mensen niet tegen hun wil tot een bepaalde groep rekenen, maar hoezo zou deze moedige kwetsbare jonge vrouw niet geloven? Nee, ze had niet zoveel met georganiseerd kerkelijk christendom, niet zoveel als haar oma, maar niet gelovig?! 

Geloven in Jezus Christus is meer dan horen bij een bepaalde club. Als we de woorden van Johannes zo lezen, maken we de evangelist tot een bekrompen dorpsdominee. Maar Johannes was een ziener, een visionair, een grote geest. 

Luther schijnt eens gezegd te hebben: ‘Of jij gelooft, bepaal jij niet zelf.’  Geloof is niet onze keuze. Dat vinden wij misschien moeilijk te begrijpen, want in onze tijd is alles een keuze, van de toiletgel die je gebruikt tot je genderidentiteit. Ze zeggen zelfs dat succes een keuze is en je kunt tegenwoordig ook kiezen welke feitelijke werkelijkheid jij accepteert. Kortom, we kiezen ons ongelukkig. En dan zou geloof geen keuze zijn? 

En toch is het zo. Geloof is geen keuze. Geloof is het resultaat van een heleboel keuzes en geloof beïnvloed een heleboel keuzes. Maar geloof zelf is geen keuze. Geloof is het je laten meenemen, je laten meevoeren door de stroom, is niet langer veilig op de oever staan, maar te water gaan en meegenomen worden, je laten dragen op de golven en zo uitkomen naar waar de rivier heengaat, de zee waar God alles in allen is, zijn nieuwe wereld die komt. Geloof is het oude vertrouwde, onze oude wereld, loslaten en je laten meenemen naar het nieuwe wat komt. Je kunt ook veilig op de oever blijven, je daar proberen te redden. Dat kan, maar waarom zou je?

En ten slotte het derde mis te verstane woord: God. Want het is van het grootste belang dat we bij het woordje God telkens weer vragen wie dat is. Wie is God? Johannes heeft het niet over God in het algemeen, maar in het Grieks staat de God, dus met lidwoord. Johannes heeft het over de God, de God van Abraham, Isaak en Jacob, de God van de Bijbel, de God van Israël. Hij is degene die de wereld liefheeft. Hij is degene die zijn Zoon geeft. 

En dat liefhebben van de wereld en geven van zijn Zoon moeten we dus ook invullen met al die verhalen uit de Bijbel. Dat geven van zijn Zoon werd vaak gereduceerd – althans zo heb ik het vaak gehoord – tot het geven van zijn zoon als degene die de straf voor onze zonde op zich nam. Zo van: God was boos over wat wij hadden gedaan, moest iemand slaan, en gelukkig, daar was Jezus en zo kon God zijn woede over de zonde kwijt en ontliepen wij onze straf. Maar dat is niet de God waar Johannes het over heeft. Dat is een god die wij hebben bedacht. 

De God is de God die mensen schept als zijn beelddragers. De God is de God die mensen uitkiest om zijn mensen te zijn, en dat niet omdat zij zo bijzonder zijn, maar omdat Hij iets in hen ziet. Hij is de God van Abraham, van Sara, van Jozef, van Mozes, van Mirjam, van David, van Jesaja, van Elisabet en van Maria. Hij is de God van Jezus in wie dat hele verhaal nog eens wordt herhaald, het gebeurt opnieuw en nu echt. Hij is de God die ons inlijft in dat verhaal, die ons door zijn Geest daarin opneemt en op die manier redt.

Zo wordt het toch nog Trinitatis in deze preek. 


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.