Vanmorgen preekte ik in onze Woerdense Petruskerk over woorden van Petrus. Ze stonde in de Schriftlezing Johannes 6:60-71. ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden die eeuwig leven geven.’ (vers 68) Een tekst met twee gezichten.
Laten we om te beginnen vaststellen dat deze tekst iets heel moois in zich heeft. De woorden van Petrus klinken als een liefdesverklaring. ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer?’ Wat moet ik zonder jou? Er is niemand zoals jij. Er is niemand bij wie ik me zo voel als bij jou. Ik kan me niet voorstellen dat ik dit bij iemand anders ervaar.
Velen hebben Jezus verlaten. Niet alleen z’n tegenstanders, maar ook de meeste van zijn leerlingen. Hij heeft ronduit gezegd dat Hij de Messias is. Dat was voor velen al over de grens van wat zij kunnen bevatten of aanvaarden. En toen zei Hij ook nog eens dat Hij de lijdende Messias zal zijn. En dat wie bij Hem wil horen zich ook zal moeten verbinden met zijn lijden. Dat was ook voor hen die Jezus al een tijdje volgen een brug te ver. ‘Dit zijn harde woorden, wie kan daarnaar luisteren?’ Jezus raakt de meeste van zijn volgers en vrienden kwijt. Er hangt een vreemde sfeer. De een na de ander sluipt weg. Er staan groepjes mensen met elkaar te praten. Ze staan met hun rug naar Jezus en af en toe werpen ze een steelse blik over hun schouder. Men schudt het hoofd nog een laatste keer en begint dan aan de lange weg terug naar huis.
Aan het einde van de dag, de schaduwen worden al langer, kijkt Jezus om zich heen. De twaalf zijn er nog. Zij wel. Het moet Jezus goed gedaan hebben. In tijden van nood leert een mens zijn vrienden kennen. Als je leven op z’n kop staat, door ziekte, of dood, of door scheiding, dan kom je er achter wie echt om je geven, nietwaar? De twaalf zijn er nog. Ze zeggen niet veel, maar ze zijn er. Ze zijn er! Ze zijn waar Jezus is en dat is genoeg.
Toch lijkt de pijn van het ontvrienden en ontvolgen zwaarder te wegen voor Jezus. ‘Willen jullie soms ook weggaan?’ klinkt het gedesillusioneerd. Er klinkt zoveel eenzaamheid in deze vraag. Dezelfde eenzaamheid die aan het kruis wordt tot schreeuw: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ De weg van de Messias is een eenzame weg. Uitverkoren zijn is geen pretje. Je staan alleen.
Maar dan breken de woorden van Petrus als een lichtstraat door de grijze schaduwen. ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer?’ Er is niemand zoals jij. ‘U spreekt woorden die eeuwig leven geven.’ Dat wil niet zeggen dat als je naar Jezus luistert, je een ticket naar de hemel krijgt. Eeuwig leven is leven met de Eeuwige. Wie Jezus’ woorden hoort, wie Hem hoort spreken, is deel van Gods nieuwe wereld. Die nieuwe wereld waar hemel en aarde verbonden zijn. Waar God geen vreemde meer is en wij van elkaar niet meer vervreemd raken. Bij wie naar Jezus Christus luistert, is die nieuwe wereld al begonnen. Hij verbindt hemel en aarde, God en mens en in wie Hem volgt is dat ook al zo en in de gemeente die naar Hem luistert ook!
‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden die eeuwig leven geven.’
Een prachtige tekst dus. Maar het is ook een tekst om over te struikelen. ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer?’ Het zijn woorden die de unieke betekenis van Jezus benadrukken. Er is niemand anders om naartoe te gaan. Hij is de enige. Hij is het licht, de rest is duisternis. Hij is het leven, de rest is dood. En dat is niet slecht voor een of andere buitenstaander, maar misschien allereerst en telkens weer ook voor wie tot geloof in Jezus Christus gekomen is een ergernis, twijfel en tegenspraak oproepende harde uitspraak. Karl Barth noemt het een hindernis die we telkens weer moeten nemen. En zo zegt hij erbij: er zijn paarden die voor deze hindernis telkens weer terug schrikken en weigeren. En laat niemand te denken dat hij niet bij deze bokkende paarden hoort!
Deze moeilijkheid zou als sneeuw voor de zon verdwijnen als we zouden kunnen zeggen dat Jezus een licht is, een woord van God. Een van de duidelijkste en belangrijkste en zeker voor ons indringende woorden van God, maar niet het enige woord van God. Dat Hij een groot profeet is. Dat erkent vandaag de dag zelfs de synagoge en het staat ook in de Koran. Zelfs de meer ruimdenkenden onder onze intellectuelen zullen we dat na enig aandringen willen toegeven. Met deze boodschap maken wij onszelf niet verdacht en komen wij niemand en ook onszelf niet te na.
Maar wat nu als dat niet genoeg is? ‘Naar wie zouden we moeten gaan, hier? U spreekt woorden die eeuwige leven geven.’ U alleen, U en niemand anders, U bent het voor mij en wel zo dat U het ook voor ieder ander bent. Geen vriendelijk naast elkaar bestaan van de vele woorden van God, maar Jezus Christus als het ene Woord van God belijden.
In de woorden van Petrus klinkt de belijdenis van de christelijke gemeente. Dit is wat de evangelist ons in de mond wil leggen, in alle exclusiviteit. Dat roept weerstand op. Bij verlichte en geseculariseerde westerse mensen, bij de gemeente in de 21e eeuw, maar niet minder bij de eerste christenen voor wie Johannes schrijft, en ook niet minder in de kring rond Jezus zelf. Onze weerstand is niet nieuw. De situatie rondom Jezus, in de vroege kerk en nu is wezenlijk hetzelfde. Het komt aan op het overwinnen van onze weerstand tegen de boodschap dat God ons door Jezus redt, dat Hij ons zo redt en niet anders. Dat wij niet hebben te kiezen, dat onze mening niet gevraagd wordt, dat niet meetelt of wij ons er iets bij kunnen voorstellen, dat het ons simpelweg verkondigd wordt. Dat wij net als Petrus onze weerstand overwinnen en gaan zeggen: ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer?’
Je kunt in Petrus’ woorden ook terughoren dat hij het overwogen heeft, ook weg te gaan. Hij heeft op het punt gestaan. Het was ook hem te veel, te exclusief, te hard. Petrus heeft het overwogen. ‘Willen jullie soms ook weg gaan?’ Petrus kon niet meer terug naar z’n oude leven. Hij zou zich kunnen aansluiten bij een rebellenbeweging, het zou hem z’n leven kosten, en veel zou het niet opleveren. Hij zou zich kunnen aansluiten bij een sekte en proberen te streven naar religieuze zuiverheid, maar dat zou hem ook hard en onbarmhartig maken. Petrus heeft zijn opties afgewogen. En zijn conclusie was dat hij nergens anders heen kon. Alle alternatieven bleken geen alternatief, geen echt alternatief. ’Naar wie zouden we moeten gaan, Heer?’ Is er voor ons een alternatief? We zoeken er verwoed naar. We zoeken het in gezondheid, in financiële onafhankelijkheid, in onze pogingen om mensen te zijn die deugen – de meeste mensen deugen, wij in ieder geval wel. We lezen de juiste kranten en de goede boeken, we geven onze giften, we hebben onze zonnepanelen en elektrische auto’s, we eten biologisch en soms zelfs vegetarisch. En er is allemaal niks mis mee, in tegendeel maar het redt ons niet. Als morgen de bodem onder je leven wordt weggeslagen… ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer?’ Er is geen alternatief. In Petrus’ woorden klinkt ook het failliet door van onze pogingen onszelf te redden. We redden het niet.
Dwars tegen weerstand in – ook tegen haar eigen weerstand in, houdt de gemeente dit vol. Daar kiest ze voor, omdat ze geen andere keuze ziet. Daar kiezen we voor, omdat we geen andere keuze zien. Jezus Christus meent het serieus: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’ Het is een echte vraag. Wat is ons antwoord? ’Naar wie zouden we moeten gaan, Heer?’ Een dubbel antwoord dus. Liefde en weerstand horen allebei bij het christelijk geloof. Liefde en weerstand, en ondertussen trouw blijven aan je Heer.
Amen.
Geef een reactie