Vandaag preekte ik voor de derde keer deze Advent over Lucas 1. Nu over vers 39-56. We zijn getuige van de ontmoeting tussen Maria en Elisabet. Meestal krijgt Maria de meeste aandacht vanwege haar Lofzang (en terecht!), maar deze keer wilde ik de schijnwerper eens op Elisabet richten. Ik koos ervoor dat te doen door de preek vorm te geven als een monoloog uit haar mond.
De preek is ook hier te beluisteren.
Link opent in Soudcloud
Hoe lang kan een mens boos zijn? Heel lang. Als Maria niet was gekomen, dan was ik nog boos geweest. Dan was ik nog niet buiten gekomen. Dan was dit kind in stilte ter wereld gekomen. Dan hadden alleen Zacharias en ik zijn naam genoemd. Hoewel, Johannes betekent ‘God heeft genade getoond’. Ik weet niet of ik dat over mijn lippen zou hebben gekregen. Het zou hier in huis hebben geklonken als loze woorden, een ijle kreet.
‘God heeft genade getoond.’ Ik kon niet blij zijn met mijn zwangerschap. Onvruchtbaar. Weet u wat dat betekent?
Ik was nog jong toen ik trouwde met Zacharias. Ik was voor hem een goede partij. Hij, een priester van de Abbia-groep, afkomstig uit dit bergland. Ik, een dochter van Aäron. We kwamen niet uit hetzelfde milieu, zullen we maar zeggen. Er is over ons gekletst, geroddeld. Maar dat kon ons niet schelen.
Zacharias was niet de enige die naar mijn hand dong. Er was een jongen, ik herinner me zijn naam niet meer, hij was de zoon van de hogepriester. En later werd hij zelf ook hogepriester. Maar ik koos voor Zacharias. Voor mij was Zacharias meer priester dan die andere jongen, ook al hoorde hij bij de tempel-elite. Zacharias nam zijn geloof serieus. Voor hem was het werk in de tempel het belangrijkste wat er was. Hij hield meer van de tempel dat van mij. En juist daarom hield ik van hem.
Wij zouden… ja, wij zouden het anders doen. Beter. Vromer. Wij zouden Gods gerechtigheid vervullen, hij, de eenvoudige priester uit het bergland en ik, de dochter van Aäron.
Maar ons huwelijk bleef ongezegend. Kinderloos. Onvruchtbaar. Weet u wat dat betekent? Hoop. Telkens maar weer die hoop. En je weet dat het tevergeefs is, maar je hart hoopt en zo produceert het zelf het gif waar het uiteindelijk aan kapotgaat.
En schaamte. Telkens weer die schaamte. Om je lichaam wat het niet doet. En vragen. Ligt het aan mij? Doe ik iets verkeerd? Houd ik niet genoeg van hem? Heb ik gezondigd? Wat heeft de Heer toch tegen mij? Nee, ik hield mij niet aan de geboden om iets te verdienen, maar als de zegen uitblijft, ga je toch denken dat het ergens aan ligt.
Ja, zegt u, maar nu zit je hier toch met een kind in je handen. Je bent uiteindelijk toch zwanger geraakt. Ja, was het maar zo makkelijk. Die zwangerschap nam de pijn uit mijn hart niet weg.
Op een dag komt Zacharias thuis van zijn priesterdienst. Er is iets gebeurd. Hij zegt niets. Komt niet uit zijn woorden. Onbegrip. Ergernis. Verwondering. Slappe lach.
Het was een stille tijd en in de stilte groeide er een nieuwe intimiteit tussen ons. Waar woorden afwezig zijn, worden een aanrakingen en een blik geladen met spanning. Er was iets nieuws in Zacharias. Een vonk.
Nee, wij deden het niet meer. De lol was eraf. Het was allemaal te beladen geraakt. De pijnlijke teleurstellingen hadden ons de lust ontnomen. Maar in die stille tijd veranderde dat. De vonk in Zacharias werd een vuur en het laaide hoog op. Het was alsof we opnieuw pas getrouwd waren. Het was alsof Zacharias er weer in geloofde. En ik? Ik hield van zijn geloof.
En toen was ik zwanger. Het kon niet, maar het was zo. Het heeft lang geduurd voordat ik het geloofde. Het duurde nog veel langer voordat ik me eraan toevertrouwde. Ik liet me aan niemand zien. Ik wist niet wat ik met mezelf aan moest. Ik moest er niet aan denken iemand tegen te komen. Ik moest er niet aan denken geconfronteerd te worden met iemands blijdschap.
Want ik was niet blij. Ik was… laten we het bij gebrek aan een beter woord maar boos noemen. Ik was boos op alles en iedereen. Op de mensen van het dorp, op Zacharias, op mezelf, op mijn lichaam, op God. Waarom nu pas? Waarom die lange, beschamende, pijnlijke weg? Nee, het ging mij er niet om dat de mensen over mij praatten. Daar heb ik nooit mee gezeten. Het ging mij erom dat de mensen zeiden: zie je nou wel wat je hebt aan je vroomheid? God maakt niet uit, Hij doet maar. Begreep God dan niet wat Hij zichzelf aandeed? Hij stond erbij en keek ernaar.
Hoe lang kan een mens boos zijn? Heel lang. En toen kwam Maria.
Op de dag dat het derde trimester van mijn zwangerschap begon, stapt ze hier over de drempel. Ik weet het nog precies. De deur gaat open, ik schrik, maar dat duurt maar heel even, want dan zie ik haar staan, in de deuropening, omstraald door het licht. ’Gegroet, Elisabet’, zegt ze.
En met dat ik haar stem hoor, gebeurt er van alles in mij. Het kind in mijn schoot springt op. Ik kan het niet anders noemen. Het springt op en ook mijn hart komt weer tot leven.. Een nieuwe energie stroomt door mijn lichaam en in mijn hoofd is het alsof de luiken opengaan. Mijn boosheid was weg. Ik kon mij zelfs niet meer voorstellen dat ik boos geweest was. Ik moet het uitgeroepen hebben: ‘Maria, meisje, gefeliciteerd!’ Ik zag meteen dat ook zij zwanger was.
Nu zeg ik dat het de heilige Geest was. Gods Geestkracht die eigenlijk altijd gebeurt waar mensen elkaar ontmoeten. Dat heb je op het moment zelf niet zo door. Dan is er alleen maar licht, helderheid, inzicht, liefde en geluk. Een ongekende vreugde stroomde mijn hart binnen. Ik was vergeten dat ik zo blij kon zijn. En opeens begreep ik het ook allemaal.
Achteraf kwam het niet uit het niets. Ik had al weken lopen denken aan Sara, de onvruchtbare aartsmoeder, aan Hanna die zo lang moest wachten op Samuël. Aan Tamar, Rachab, Ruth en Batseba, die vreemde moeders in Israël. Toen Maria verscheen vielen alle puzzelstukjes op hun plaats. Alles waar ik aan had lopen denken, begreep ik plotseling.
Wij zijn die moeders die geen moeders kunnen zijn. Ik te oud, zij te jong. Ik de mens die aan het einde van z’n mogelijkheden is gekomen, zij de mens die voordat ‘ie iets doet door Gods initiatief wordt verrast. Heel Gods geschiedenis met ons volk komt in ons samen.
Ik heb ook lopen denken aan al die wonderlijke zonen in onze geschiedenis. Kaïn en Abel. Isaak en Ismaël. Jakob en Esau. Jozef en z’n broers. De oudste die de jongste dient. Mijn Johannes zal Maria’s Jezus dienen. Gods geschiedenis begint opnieuw in die twee. Het zal geweldig zijn. Hartverscheurend, huiveringwekkend, maar schitterend. Gods verhaal opnieuw.
Maria begreep het op dat moment ook. Ze zong het mooiste lied wat ik ooit hoorde. Het is haar lofzang, maar het is niet minder mijn lied, en van al die vrouwen sinds Eva. ‘Mijn ziel prijst en looft de Heer, mijn hart juicht om God, mijn redder: Hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.’ Dat heeft niets met minderwaardigheid te maken. Ik voel mij klein voor Hem, en voor niemand anders.
Hoe lang kan een mens boos zijn? Ik kon geen seconde meer boos zijn. Ik kon mij weer verwonderen. Ik kon weer dankbaar zijn. Ik kon weer geloven. Ik weet nog dat ik tegen Maria zei: ‘Gelukkig is wie geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’ Ik zei tegen haar, ik zei tegen mezelf, en ik zeg het tegen u. Gelukkig ben je als je gelooft dat de Heer doet wat Hij zegt. Mijn hele verhaal mag je vergeten, als je dit maar onthoud. Gelukkig ben je als je gelooft dat de Heer doet wat Hij zegt.
Geef een reactie