Bij de Jakobsbron

Een preek over Johannes 4:5-26

‘Ik ben het, degene die met u spreekt.’ Die woorden waarmee Jezus zichzelf bekend maakt aan die Samaritaanse vrouw, klinken vanmorgen in ons midden. En ze klinken als woorden die Jezus nu zegt, tot ons. ‘Ik ben het, die met u spreekt.’ Hij is ook met óns in gesprek. Gaan wij dat gesprek aan? In ons hart, in onze ziel?

De ontmoeting van Jezus met de Samaritaanse vrouw bij de bron in Sichar is weer zo’n typisch Johannes-verhaal. Er gebeurt ontzettend veel in de tekst en tussen de tekst en de lezer. Ik heb geprobeerd daar de afgelopen week op de Open Bijbelkring en de seniorenbijbelkring iets van te laten zien. 

Vanmorgen heb ik niet de tijd om hier ook de grote rijkdom van dit verhaal met jullie te delen. Neem gewoon van mij aan: dit is echt het beste van het beste. Dit is een tekst die bijna tweeduizend jaar later nog altijd staat als een huis. Dit is een tekst die bijna tweeduizend jaar later nog altijd niet al z’n geheimen heeft prijsgegeven. Dit is een tekst die bijna tweeduizend jaar later nog levens verandert.

Om vanmorgen toch zinvol te kunnen preken over deze tekst moet ik een poging doen om de rode draad in deze ontmoeting te vinden. Dat is vrijwel onmogelijk, want de tekst bestaat uit een heel weefsel van gedachten, toespelingen en verbanden. Als je de ene draad eruit trekt, komen er allerlei andere draden mee.

Laat ik toch proberen iets samenvattends te zeggen. In deze ontmoeting vindt deze vrouw eindelijk een man aan wie ze zich kan toevertrouwen, een man die haar raakt tot in haar ziel, een man die haar innerlijke bron laat stromen.

Deze vrouw is dus zoveel meer dan mevrouw die-en-die uit Sichar. Zij staat voor… – en ja, daar heb je die lagen van Johannes alweer – zij staat voor de Samaritanen, zij staat voor de gemeente, voor de gelovige. In deze vrouw ontmoeten de Samaritanen iemand die de strijd tussen hen en de Joden overstijgt. In deze vrouw ontmoet de gemeente haar Heer die haar als een bruid tot de zijne maakt. In deze vrouw ontmoeten ook wij Jezus. ‘Ik ben het, degene die met u spreekt.’ We horen het als tegen ons gezegd. Dat is de draad die ik vanmorgen uit het verhaal wil trekken.

Maar laten we bij het begin beginnen. Als wij die vrouw zijn, dan ontmoeten wij dus die vreemdeling bij de put. We zijn daar op het heetst van de dag. Een tijdstip waarop je eigenlijk niemand anders verwacht op die plek. We hadden gedacht alleen te zijn. Maar daar zit Hij, een man en zo te zien een Jood. 

‘Geef mij wat te drinken’, zegt Hij. Ja, nu hoor je ook aan zijn stem dat Hij een Jood is. Maar hoe durft Hij je aan te spreken? Joden en Samaritanen zijn in een onverzoenlijk conflict beland en daar komt bij dat een man alleen nooit een vrouw alleen aan zal spreken. ‘Geef mij wat te drinken.’ Dus dat jij water put terwijl Hij toekijkt en dat je dan je kruik aan zijn mond zet… Zo dichtbij… Dat gaat wel ver.

Een vreemdeling die heel dichtbij wil komen. Die ons vraagt wat wij te drinken hebben. Die ons vraagt naar ons water. Water is leven. Water is waar een mens van leeft. ‘Waar leef je van?’, vraagt Hij. ‘Laat me eens proeven.’ Hij komt heel dichtbij de kern van ons bestaan. Ook dichtbij het troebele water in ons leven. Het lauwe water van ons verflauwde geloof. Het bittere water van ons verdriet. ‘Laat Mij eens proeven.’

Toch schrik je niet terug. Je rent niet weer terug naar je stad en je huis. Je zoekt niet je veilige schuilplaats op. Nee, je hoort zijn vraag en zomaar hoor je jezelf terugpraten: ‘Hoe kun je me dit vragen? Hoe kan wat ik te drinken heb jou interesseren? Hoe kan mijn leven voor jou interessant zijn? Waarom wil je zo dichtbij komen?’

Dan antwoordt de vreemdeling: ‘Ik wil niet alleen jouw water proeven, Ik heb zelf ook water te geven. Als je Mij leert kennen, als je dat wilt, dan heb ik levend water voor je.’ Het gaat veel te ver wat die vreemdeling hier zegt en toch vertrouw je Hem. Je voelt dat zijn nabijheid niet ten koste gaat van je veiligheid. Toch gaat het je allemaal te snel. Je vlucht in de vraag naar het hoe. ‘Hoe kan dat dan? Je kunt helemaal niet putten, je hebt geen emmer.’ 

Wij mensen vluchten makkelijk is hoe-vragen. Hoe kan ik weten dat God bestaat? Hoe kan ik weten dat Hij om ons geeft? Hoe kan ik geloven? Hoe… 

‘Nee,’ zegt die vreemdeling bij de put, ‘nee, ik heb het over het water in jou, over de put in je hart, over de bron in je ziel. Als je mij vertrouwt, dan zal het in je gaan stromen.’ En daar raakt Hij ons, want wat kan het droog zijn in een mens. Dat je energie opdroogt. Dat je uitgeput bent. Uit-ge-put. Dat je wel doet wat je moet doen, maar dat het van binnen niet meer leeft, dat je doodop bent. Door stress. Door verdriet. Door pijn. Door depressie.

Ja, daar raakt Hij ons. ‘Geef ons dat water.’ Ja, van die dorst en droogte willen we wel af. Maar Hij voelt aan dat we ons nog achterhouden. ‘Haal je man.’ Vijf mannen heeft de Samaritaanse vrouw gehad en nu heeft ze een zesde. Dat is natuurlijk bizar veel. En daarom denk ik dus dat het hier niet gaat over een zondige mannenverslindster uit Sichar, maar dat zij staat voor iets anders. In 2 Koningen 17 staat beschreven hoe vreemde volken zich met hun afgoden mengden met de inwoners van Samaria. En laten het nu vijf vreemde volken zijn geweest. Als deze vrouw eigenlijk vrouwe Samaria is, dan zijn die vijf mannen die vreemde volken. En de man die zij nu heeft en die haar man niet is, is de eigensoortige vorm van godsdienst die de Samaritanen op dat moment aanhangen. 

In het Oude Testament wordt Gods verbond met zijn volk regelmatig vergeleken met een huwelijk. En als het volk God ongehoorzaam is, wordt dat door de profeten ontrouw of overspel genoemd.

Jezus begint over die mannen omdat Hij het hart van vrouwe Samaria wil veroveren. Hij wil haar man zijn. Hij wil haar niet alleen in contact brengen met haar eigen innerlijke bron, Hij wil haar ook in contact brengen met God. Of eigenlijk is dat niet hetzelfde?

Al die mannen in ons leven die ons vervreemden van onze bron, van de bron van het leven. Al die mannen die ons van alles beloven, maar ons zo vaak laten zitten. Al die mannen die niet voor ons zorgen als we ze nodig hebben. Al die mannen, al die afgoden. Welvaart, rijkdom, zekerheid, geld, gezondheid… Al die mannen… Al die afgoden die de enige ware God proberen te vervangen. De enige ware God die ons geluk wil, die ons zijn vriendschap biedt, die ons tot in eeuwigheid vasthoudt. 

De vrouw bij de put begrijpt wat de joodse man haar zegt. Die joodse man vraagt haar al haar mannen op te geven en te vallen voor Hem. 

‘Dan moeten wij eerst onze conflicten te boven komen’, zeggen we. ‘Moet je bidden in Jeruzalem of op de berg Gerizim waar de Samaritanen een heiligdom hebben? Wat is de ware godsdienst? Hoe kun je God aan je kant krijgen?’ Ja, zo denken wij. Wat moeten we doen om God gunstig te stemmen? Hoe verzekeren we ons van zijn liefde? Hoe rechtvaardigen we onszelf? Hoe redden we onszelf?

‘Nee, we zullen bidden in geest en waarheid.’ ‘God is geest. God is niet deze of gene waarheid. God is niet van jou of van mij. Niet jouw berg of de mijne. Niet in de piekervaringen. God is geest. God is dat water wat in jou stromen wil. God is die bron die in jou opwelt tot in het eeuwige leven. God is liefde en God rechtvaardigt en redt ons alleen daarom. 

Dan gebeurt in ons het wonder. Het begint te stromen. We beseffen dat de liefde van God in ons wonen wil. En met dat we het beseffen woont die liefde in ons. Het begint in ons te borrelen. Fris water sijpelt door alle kieren van ons hart. Het stof van ongeloof, het verdriet wat in ons vast zat, het verleden wat aan ons kleefde, het begint op te lossen en het spoelt zomaar weg! ‘Het water zal stromen, het water zal tintelen, stralen, dorstigen komen en drinken.’ ‘Als beken vol water, als beken vol toesnellend water schietend omlaag van de bergen.’

‘Ik weet dat de Messias zal komen.’ Het is met Oosterse indirectheid dat de vrouw zegt: ‘Volgens mij ben Jij het. Jij bent de Messias, toch? Jij bent degene naar wie ik zocht. Naar jou heb ik mijn hele leven verlangd.’ 

En dan horen wij het verlossende woord. Het is Jezus’ ja-woord. ‘Ik ben het, degene die met u spreekt.’ De tijd staat stil. Deze man en deze vrouw hebben elkaar gevonden. Zij zijn elkaars bron geworden, zij lessen elkaars dorst.

Het is zo’n moment dat lijkt op die andere ontmoeting van een man en een vrouw. Op de ochtend van Pasen als Maria Magdalena in de graftuin de opgestane ontmoet. Ze denkt dat het de tuinman is. Maar dan spreekt Hij: ‘Maria!’ En zij antwoordt: ‘Raboeni! Mijn meester.’ 

Ik hoop zo dat U voelt wat er hier gebeurt. Dat je voelt dat het in deze ontmoeting gaat om ook ons verlangen gekend en bemind te worden. Ons verlangen naar iemand die ons begrijpt en aanvaard. Iemand die het goede met ons voor heeft en voor ons zorgt als het ons niet lukt.

‘Ik ben het, degene die met spreekt.’ Hij spreekt ons aan. En we mogen net als die vrouw al onze vragen stellen en bezwaren naar voren brengen. We mogen heel ons leven bij Hem veilig weten. Vertrouw Hem maar. Vertrouw zijn liefde maar. 


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.