In deze preek wissel ik schriftlezing en uitleg af. De tekst van de lezing komt uit de NBV21.
1Er was iemand ziek…
Zo begint het. Onheilspellend klinkt de diagnose en onwillekeurig denken wij aan al onze zieken. Aan al die zieken die er niet meer zijn. Welke laatjes in onze herinneringen en in onze ziel zullen worden opengetrokken? Wat staat ons te wachten in dit verhaal?
1Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zus Marta woonden – 2dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer.
Drie mensen worden ons voorgesteld. Twee zussen en hun zieke broer. Ze wonen in Betanië, een dorpje onder de rook Jeruzalem. Inmiddels weten we dat de personages in het Johannesevangelie eigenlijk altijd staan voor iets anders. De vorige keer ontmoetten we in die vrouw uit Sichar Vrouwe Samaria en ook de kerk als bruid van Christus.
Lazarus is de Griekse vorm van de Hebreeuwse naam Eliazar. En alle Eliazars uit het Oude Testament zijn priesters. Zou deze Lazarus soms de tempel vertegenwoordigen? ‘God helpt’ betekent zijn naam. Israëls, het volk van de tempel, heeft zich in die naam herkent.
Ook Martha en Maria zouden wel eens meer kunnen zijn dan zomaar twee zussen. Martha was – als je de andere evangeliën er op naslaat – getrouwd met Simon, een farizeeër die aan een huidziekte had geleden – of het Jezus was die hem genezen had staat er niet, maar wie anders? Maria was een ‘zondares’. Dat wil zeggen, zij hield zich niet aan de rituele bepalingen van de rabbijnen hield. Martha en Maria vertegenwoordigen de Joden, het joodse volk, het orthodoxe deel en het liberale deel. Martha, u weet wel, die te druk was met ‘hoe het hoort’ om naar Messias Jezus te luisteren, terwijl haar zus Maria, die het niet zo nauw nam, wel alle aandacht voor de Heer heeft.
En deze drie wonen dus in Betanië. ‘Huis van de arme.’ Israël woont in het armenhuis, het volk van God zit er armoedig bij. Als de evangelist Johannes zijn evangelie schrijft, ligt het land er inderdaad desolaat bij. Jeruzalem is verwoest. De tempel een puinhoop. In het jaar 70 verwoestten de Romeinen de trotste hoofdstad van Israël en het heiligdom van hun God. Het volk staat er niet best voor. Israël in het armenhuis dus. We lezen verder.
3De zussen stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’ Dat kun je dus wel zeggen. Doodziek is het volk. Het einde nadert. Zonder politiek en religieus centrum is het volk Israël ten dode opgeschreven.
Maar hoor wat Jezus zegt:
4Toen Jezus dit hoorde zei Hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’
Als je Johannes 11 leest als de lotgevallen van de familie huppeldepup uit Betanië, dan klinken deze woorden van de Heer uiterst vreemd. Hoe kan een dodelijke ziekte uitlopen op de eer van God? Waarom zo afstandelijk? Alsof de ziekte niet meer dan een instrument is om een punt te maken. Hoe integer is het om Lazarus de ellende van ziekte en dood aan te doen om de eer van God en zijn Zoon te vergroten? Nee, ik denk dat we van meet af aan moeten bedenken dat Lazarus, Martha en Maria Gods volk vertegenwoordigen. In hun trieste lot weerspiegelt zich het lot van dat volk.
Johannes vervolgt:
5Jezus hield veel van Marta en haar zus, en van Lazarus.
Ja, natuurlijk houdt de Messias van zijn volk. Hij is niets zonder zijn volk. Jezus is niet in de eerste plaats van de kerk, maar in de eerste plaats van zijn volk. Ook al moeten ze niets van Hem hebben, Hij hoort bij hen als eerste.
6Maar toen Hij gehoord had dat Lazarus ziek was, bleef Hij toch nog twee dagen waar Hij was. 7Daarna zei Hij tegen zijn leerlingen: ‘Laten we teruggaan naar Judea.’
Op de derde dag komt de Messias. Op de derde dag vallen de beslissingen. Jezus’ wachten roept vragen op – waar blijft u, Heer? – maar schept ook verwachtingen – de derde dag is de dag van de opstanding, dat is al in het Oude Testament zo. Hoe zal dit aflopen?
Dan volgt een gesprekje met de leerlingen wat ik vandaag even oversla. Het gaat over de risico’s die Jezus loopt als Hij naar Betanië gaat. Het is niet onbelangrijk, maar ik wil vandaag bij iets anders stilstaan. We lezen verder.
11Nadat Hij dat gezegd had zei Hij: ‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen, Ik ga hem wakker maken.’ 12De leerlingen zeiden: ‘Als hij slaapt, zal hij wel beter worden, Heer.’ 13Zij dachten dat Hij het over slapen had, terwijl Jezus bedoelde dat hij gestorven was. 14Toen zei Hij hun ronduit: ‘Lazarus is gestorven, 15en om jullie ben Ik blij dat Ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot geloof komen. Laten we dan nu naar hem toe gaan.’
Jezus weet van de dood van Lazarus. Eerst spreekt Hij er omfloerst over, maar vervolgens in ronde bewoordingen. Lazarus is gestorven. En opnieuw horen we Jezus vertellen hoe het af zal lopen. Nogmaals, als dit verhaal zou gaan over meneer Lazarus uit Betanië, dan is het bevreemdend dat Jezus blij is dat Hij er niet was. Als dit verhaal echter gaat over waar Lazarus voor staat, dan is het allemaal een stuk begrijpelijker. Jezus was er inderdaad niet meer toen Jeruzalem in puin werd gelegd. En Hij was ook nog niet teruggekomen. De gemeente verwachtte Hem, maar toen gebeurde het onvoorstelbare: de tempel, het hart van Gods volk, weg. Het was een bittere tijd.
Die verwoesting van de tempel had enorme impact op de Jezusbeweging die na zijn dood en opstanding was ontstaan. Die Jezusbeweging bestond uit joodse en heidense, dat wil zeggen niet-joodse, volgelingen van Jezus. En nu werd met de tempel de godsdienst van die joodse volgelingen met de grond gelijk gemaakt. Religieuze kaalslag. De gure wind van secularisatie waaide door het land.
Ik zeg het bewust zo, omdat ik denk dat wij iets vergelijkbaars meemaken. Het christendom in ons werelddeel wordt in hoog tempo ontmanteld. Er blijft weinig van over. Ja, een paar zeer orthodoxe of zeer eigentijdse kerken houden het nog vol, maar verder is ons christendom aan het verdampen. We hebben lang gedacht dat het christelijk geloof in ons midden sliep, dat de kerk hooguit een beetje was ingedut, maar ook wij komen meer en meer tot de ontdekking dat er geen sprake is van slapen, maar van sterven.
17Toen Jezus daar aankwam, hoorde Hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.
Jezus is te laat. Hij zou ten derde dage verschijnen, maar het is al de vierde dag. De Heer is te laat. En zo komen we in dit verhaal niet alleen de ervaring van het joodse volk, maar ook de ervaring van de Jezusbeweging tegen, ook daarmee ook onze ervaring. De Heer vertoeft. Waar blijft Hij toch? Het is die ervaring waar het verhaal nog even bij stil blijft staan.
18Betanië ligt dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie, 19en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was. 20Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze Hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. 21Marta zei tegen Jezus: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. 22Maar zelfs nu weet ik dat God U alles zal geven wat U vraagt.’
In Martha ontmoeten we de aanvechting én het geloof van de gemeente. ‘Als U hier geweest was…’ Ja, die aanvechting kennen ook wij. Als Hij hier geweest was… ja, dan zou de ellende van ziekte, dood, pijn, schuld, ongeloof en twijfel aan ons voorbij zijn gegaan. Dan zou de doodslaap van kerkverlating en secularisatie ons niet zijn overkomen. Maar Hij is er niet. Waar blijft Hij?
En toch houdt de gemeente het geloof vol. ‘God zal U alles geven wat U vraagt.’ Ook als de Heer veel te laat komt in ons leven, ook als Hij pas komt als we alle hoop hebben verloren, toch… Dat is het ‘en toch’ van het geloof. Martha belijdt hier ons geloof tegen de klippen van het leven en van de tijden op.
23Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ 24‘Ja,’ zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’
Martha gelooft wat de Joden in Jezus’ dagen inderdaad geloofden. Aan het einde van de tijden staan de rechtvaardigen op bij God. Dat was een geweldige ontdekking in het geloof, dat God zo houdt van mensen die zijn wil doen, dat Hij hen ook zal vasthouden voorbij de onverbiddelijke grens van de dood. God laat niet los wat zijn hand begon. Wat kun je daar een troost aan ontlenen. Marta gelooft dat ook. Maar ze hoort Jezus’ woorden ook een beetje als een dooddoener. Zo van: ‘Ja, ik weet wel dat hij zal opstaan, ooit, maar nu is hij dood en nu ben ik verdrietig.’ Marta lijkt te vragen of Jezus haar pijn wel ziet. Ook dat kan een gelovige overkomen. Dat je twijfelt of je wel begrepen wordt.
Jezus begrijpt Marta maar al te goed. Hij heeft haar ook meer te bieden dan een opstanding, ooit, ver weg. Hij heeft haar leven te bieden, hier en nu.
25Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, 26en ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ 27‘Ja, Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat U de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’
Nu zijn we bij de kern van het verhaal. Jezus onthult zichzelf als het leven, als leven dat de dood overwint, als leven uit de de dood.
Jezus is de opstanding en het leven. Hij is de toekomst van zijn volk. Al wat ten dode staat opgeschreven, leeft door Hem. Wij mogen deze woorden horen als woorden die ons persoonlijk aanspreken, maar vergeet niet dat ons individualisme de Bijbel volkomen vreemd is. Jezus’ woorden slaan op zijn volk, op zijn gemeente uit joden en heidenen en als zodanig mogen wij ze ook op onszelf betrekken. Hij is onze toekomst, Hij is ons leven, Hij zal ook ons uit de dood doen opstaan. Geloof je dat? Jezus vraagt het ook ons. Heb je vertrouwen? Verwacht jij het ook van Mij?
Marta gaat ons voor in een ideale reactie. Zij belijdt haar geloof en zegt ons voor hoe wij zullen reageren op Jezus’ woorden van leven. ‘Ik geloof dat U de Messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’
28Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zus Maria apart en zei: ‘De meester is er, en Hij vraagt naar je.’ 29Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe, 30die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta Hem tegemoet was gekomen. 31Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te weeklagen.
Het belijdende deel van Israël roept het deel wat nog thuis zit erbij. Maria zit nog in de sfeer van verdriet en rouw. Marta roept haar erbij. Ze deelt haar vertrouwen, ze houdt haar geloof niet voor haarzelf.
32Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en Hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’
Opnieuw klinken de woorden van twijfel en aanvechting. Hoe verschillend Marta en Maria ook zijn, ze kennen allebei de pijn en machteloosheid. Of je nu een doorgewinterd kerkmens bent of iemand die graag wat afstand houdt, uiteindelijk verschillen we niet veel in onze geraaktheid door de dood, onze geraaktheid door doodsheid in ons en om ons heen.
Maria komt bij Jezus en dan gebeurt er iets bijzonders. Jezus reageert anders dan verwacht.
33Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en Hij ergerde zich. Diep bewogen 34vroeg Hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’ 35Jezus begon te huilen, 36en de Joden zeiden: ‘Wat heeft Hij veel van hem gehouden!’ 37Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, Hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’ 38Weer ergerde Jezus zich.
Jezus ergert zich. En dat is nog een brave vertaling. Letterlijk staat er dat hij briesend is van woede, het Griekse woord verwijst naar het briesen van paarden. Jezus is buiten zichzelf van boosheid. Hij heeft er geen woorden voor. Het is om te huilen hoe wij reageren op de dood. We reageren met weeklagen en met verwijten. We klagen of geven iemand de schuld. Ja, zo reageren mensen.
Ook als het gaat om het sterven van het christelijk geloof. We klagen over de kerk. En we weten zo makkelijk wie het niet goed deden. Degene die leiding geven, of juist het kerkvolk. Als de dominees beter zouden preken. Als de mensen meer zouden geven. Als ze in “Utrecht” bij de landelijke kerk nu eens wat beter hun werk zouden doen. Als de kerkdiensten meer dit, als de ouderlingen meer dat, als de… vul maar in.
Jezus kan er weinig mee. Ik geloof ook dat Jezus niet huilt om Lazarus. Ik denk dat de joden het hier – zoals zo vaak in het Johannesevangelie – bij het verkeerde eind hebben. Jezus huilt om hun ongeloof. Hij huilt om ons ongeloof. Hij huilt om ons geklaag en ons zoeken naar zondebokken. Hij huilt om ons ons blindstaren op de dood. Wij leggen Lazarus in een graf, met een grote steen ervoor. Wij leggen ons neer bij de dood. Wij menen dat onze dood het einde is. We hebben het mis.
Hij liep naar het graf, een spelonk met een steen voor de opening. 39Hij zei: ‘Haal de steen weg.’
Nog eens klinkt de stem van het ongeloof.
Marta, de zus van de dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’
Marta, die eerder haar geloof beleed, is het hier weer helemaal kwijt. Dood is toch dood?
40Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’
Gods grootheid is dat er leven mogelijk is, waar wij alleen nog maar dood zien. Gods grootheid is dat waar vertrouwen is het einde een nieuw begin kan zijn.
41Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek Hij omhoog en zei: ‘Vader, Ik dank U dat U Mij hebt verhoord. 42U verhoort Mij altijd, dat weet Ik, maar Ik zeg dit ter wille van al deze mensen hier, opdat ze zullen geloven dat U Mij gezonden hebt.’ 43Daarna riep Hij luid: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ 44De dode kwam tevoorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek. Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’
Van alle personages in het verhaal is het alleen Lazarus die doet wat Jezus zegt. Hij stelt geen vragen, hij maakt geen verwijten, hij klaagt niet. Hij doet eenvoudig wat de Heer hem zegt. Hij hoort Zijn woord en staat op.
Alleen de dode doet wat Jezus zegt. Ironisch is dat. En misschien is het ook wel zo. Dat je eerst moet sterven om echt te gaan leven. Dat je alleen kan opstaan als je je leven durft los te laten. Als je al je zekerheden en alles wat vertrouwd is, opgeeft en je toevertrouwd aan de dood omdat je je toevertrouwd aan Hem die zegt: ‘Ik ben de opstanding en het leven.’
Jezus wekt Lazarus op. Jezus wekt Israël op. Hun stervend geloof, hun doodse godsdienst, Hij is de opstanding en het leven. Marta en Maria, heel het joodse volk vindt bij Hem leven na de dood.
Jezus wekt Lazarus op. Jezus wekt zijn volgelingen op, de Jezusbeweging, zijn kerk, de gemeente. ‘Er was iemand ziek’, zo begint het. Maar het eindigt met ‘Maak hem los en laat hem gaan.’ Durven wij geloven dat ook onze ziekte, de ziekte van ongeloof en twijfel, dat ook die ziekte niet leidt tot de dood, maar tot de eer van God? ‘Maak hem los en laat hem gaan.’ Wij worden losgemaakt van onze doodsangst. Wij mogen verder gaan. In vertrouwen op Jezus. Laten we Hem niet ergeren met onze fixatie op ons verlies. Hij is ons vertrouwen waard. Want Hij is zelf de weg van dood en opstanding gegaan. Hij is de graankorrel die gezaaid wordt en sterft op de akker van de wereld. Hij heeft zich laten zaaien, want alleen zo draagt Hij vrucht.

Geef een reactie