‘Zwerf door de straten van Jeruzalem, vraag na, kijk om je heen, zoek op de pleinen of er iemand is die rechtvaardig handelt, die naar eerlijkheid streeft, dan zal Ik Jeruzalem vergeven.’
‘Zwerf door de straten van Woerden, vraag na, kijk om je heen, zoek op de pleinen of er iemand is die rechtvaardig handelt, die naar eerlijkheid streeft, dan zal Ik Woerden vergeven.’
‘Zwerf door de straten van van je hart, vraag na, kijk om je heen, zoek op de pleinen of er rechtvaardigheid woont, een streven is naar eerlijkheid, dan zal Ik je vergeven.’
Nog eens hebben we uit Jeremia gelezen. Opnieuw geen makkelijke tekst, geen mooi verhaal. Het is uiterst aangrijpend. ‘O bonzend hart! O razend hart!’ De adrenaline raast door ons lijf. Beelden van oorlog. Jeremia beschrijft niet, hij laat het ons voelen. Geschreeuw, vernietiging, doodsangst. Beelden die zich mengen met de beelden die wij te zien krijgen uit Gaza en uit Oekraïne.
Het is vervolgens anti-schepping wat Jeremia beschrijft. Viel dat jullie ook op? Moesten jullie tijdens de lezing ook denken aan Genesis 1? Over de aarde die woest en doods was. De hemel zonder licht. ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en doods… En God zei: Laat er licht zijn. En er was licht.’ Maar nu keert alles terug naar de chaos van voor de schepping. Duisternis. Geen mensen, geen dieren. Vernietiging.
Ook die beelden hebben hun gelijke in onze tijd. Gekapt oerwoud, afstervend koraal, plastic soep, verwoestijning, zeespiegelstijging. Land wat onbewoonbaar wordt, aarde die terugkeert naar de chaos.
Dan opnieuw beelden van oorlog. De steden liggen er verlaten bij. De bevolking van Juda is op de vlucht geslagen. De ooit trotse hoofdstad Jeruzalem, die in de Bijbel vaak als een vrouw wordt voorgesteld, vrouw Sion, schreeuwt het uit, als in barensnood. ‘Ik bezwijk in de handen van moordenaars.’
Jeremia ziet de vernietiging die over Juda en Jeruzalem is gekomen toen in 587 of 586 Jeruzalem door de troepen van de Babylonische koning Nebukadnezar de Tweede werd ingenomen.
Jeremia laat ook merken waarom dat volgens hem gebeurd is. Over vrouwe Sion zegt hij: ‘Al ga je gekleed in scharlaken, al ben je met goud getooid, al maak je je ogen op, vergeefs maak je je mooi. Je wordt door je minnaars verworpen, ze staan je naar het leven.’
Jeremia gebruikt beeldrijke taal om een politiek statement te maken. Het probleem is volgens Jeremia dat de leiders van Juda helemaal verkeerd hebben gereageerd op de crisis hun land. In plaats van dat ze echte oplossingen zochten die ook op de lange duur goed voor land en volk zouden zijn, hebben ze kortetermijnoplossingen geprobeerd.
De leiders zochten bondgenoten in het buitenland. Dat bedoelt Jeremia met het zich mooi maken van vrouwe Sion. Ze kleedde zich in scharlaken en tooide zich met goud. De leiders in Jeruzalem zeiden: ‘Wij zijn mooi en rijk, wie wil ons verlossen van de dreiging van de Babyloniërs?’
En het leek zelfs te werken. Kortetermijnoplossingen werken vrijwel meteen. Maar ja, hoe gaat dat met bondgenoten? Als het voor hen aantrekkelijker is kunnen ze van de ene op de andere dag veranderen in je vijanden. Toen Nebukadnezar kwam en toch wel heel erg sterk bleek te zijn, sloten Juda’s bondgenoten zich zomaar bij hem aan. En Juda? Juda stond er alleen voor. Niemand zou haar redden.
Zo laat Jeremia weten wat hij vindt van de politieke situatie. Nog scherper wordt het in de verzen waarin Jeremia de stem van God vertolkt. In vers 22 zegt de HEER met alle pijn en woede die een verraden vader kan voelen: ‘Dwaas is mijn volk, het wil van Mij niets weten. Het zijn kinderen zonder verstand, inzicht hebben ze niet. Ze zijn wel wijs, maar in het kwaad; tot het goede zijn ze niet in staat.’
In vers 27 spreekt de HEER opnieuw. Dan klinkt zijn oordeel. ‘Heel het land wordt een woestenij, maar vernietigen zal ik het niet. Hierom zal de aarde rouwen, de hemel boven zal ik zwart gedompeld zijn, omdat Ik gesproken heb en dit besloten heb. Ik volhard in mijn besluit, Ik kom er niet op terug.’
Het zijn wonderlijke woorden. Woorden die aan de ene kant pijn doen. God is zo gekwetst, gekrenkt, vernederd en afgewezen. Een diepe duisternis klinkt in zijn woorden. Aan de andere kant, horen we ook iets anders. ‘Ik zal het niet vernietigen,’ zegt de HEER. Er zit een grens aan Gods toorn. Hij begrenst zichzelf.
En ergens hoor ik dat ook die laatste woorden. ‘Ik volhard in mijn besluit, Ik kom er niet op terug.’ Waarom zegt God dat? Niemand heeft gevraagd of Hij erin zal volharden, niemand wekte ook maar de suggestie dat Hij erop terug zal komen, Het klinkt een beetje zoals een ouder kan dreigen. ‘Als je nu niet meegaat, dan ga ik alleen. Nu laat ik je hier staan hoor. Ik ga echt weg.’ Geen enkele ouder zegt dat omdat zij of hij uiteindelijk alleen thuis wil komen. Het zijn de ultieme dreigementen om dat kind mee te krijgen.
De woorden van Jeremia 4 zijn Gods ultieme dreigementen. Het is Gods ultieme poging om zijn volk en de leiders van dat volk naar zich toe te halen. In Gods nee schuilt altijd Gods ja. Diep, diep in zijn oordeel vind je altijd zijn liefde.
‘Zwerf door de straten van Jeruzalem, vraag na, kijk om je heen, zoek op de pleinen of er iemand is die rechtvaardig handelt, die naar eerlijkheid streeft, dan zal Ik Jeruzalem vergeven.’ God is bereid tot vergeving. Niet als het hele volk zich bekeert, niet als alle leiders berouw tonen, nee, één rechtvaardige, één eerlijk mens, dat is genoeg.
En daarmee komt het heel dichtbij. Want de tekst vraagt op deze manier aan ieder van zijn lezers, aan ieder van ons, of jij die rechtvaardige bent. Die ene rechtvaardige die nodig is om de wereld te redden, wil jij die zijn?
Wij lezen over die zoektocht naar die ene rechtvaardige in Jeruzalem op de dag dat wij ook horen van die ene die Jeruzalem binnengaat op een ezeltje. Zeg tegen vrouwe Sion: ‘Kijk, je koning is in aantocht, Hij is zachtmoedig en rijdt op een ezelin en op een een veulen, het jong van een lastdier.’ (Matteüs 21:5)
Hij is die ene rechtvaardige omwille van wie God de wereld redt. Hij is die ene die eerlijk is, waarom God doorgaat, waarom God vergeeft. God zal deze wereld niet overlaten aan zichzelf. Hij gaat met ons door.
Dat zal niet zonder crises zijn. We leven in een tijd waar voor het eerst in de geschiedenis de mens een einde kan maken aan zichzelf. We zijn hard onderweg de aarde onleefbaar te maken. En dan heb ik het nog niet gehad over nucleaire oorlogen, pandemieën en andere ellende. Die koning op zijn ezel is die ene rechtvaardige waarom God doorgaat. Hij is die ene die anders is.
Tegelijkertijd, laat deze ene niet de enige zijn. Later er in godsnaam meer van dit soort eenlingen zijn. Zoek naar die rechtvaardige, die eerlijke mens. Zoek naar die mens in jezelf. Zoek in de straten van je hart, de pleinen van je ziel. Als je hem vindt, wie weet, dat God vergeeft. Dat hij met ons doorgaat, verder gaat, opnieuw begint. Dat is wat hij wil. Hij is niet uit op onze ondergang, op ons geluk. Hij wil ons leven, leven in overvloed. Leven zoals Jezus, in vertrouwen en gehoorzaamheid. Rechtvaardig en eerlijk.

Geef een reactie