De kracht van het kruis

De in 2007 overleden aartsbisschop van Parijs Jean-Marie Lustiger vertelde ooit een verhaal over drie jongens. Zij hadden besloten de priester van hun lokale kerk eens flink te pakken te nemen. Dat deden ze door een voor een te gaan biechten en tijdens die biecht de meest krankzinnige zonden aan die priester te vertellen. 

Eerst ging nummer één. Hij vertelde zijn bizarre verzonnen zonden, de priester ging er zo goed als hij kon op in, de jongen liet hem flink zweten en na verloop van tijd kwam hij gierend van de lach uit het biechthokje. Daarna ging het met nummer twee net zo. 

Toen ging nummer drie naar binnen. En ook hij vertelde de priester de meest vreemde zonden. De priester, die inmiddels ook wel door had wat er gebeurde, zei tegen de derde jongen: ‘En nu ga jij naar voorin de kerk, naar waar die grote crucifix hangt. Ik wil dat je daar naar toegaat, dat je Hem recht in de ogen kijkt en drie keer zegt: ‘Jij hangt daar door mijn zonden, maar daar geef ik helemaal niks om!’ 

De jongen, die het nog altijd als een spel zag, deed wat de priester zei. Hij ging naar voren, keek Christus aan het kruis aan en zei: ‘Jij hangt daar voor mij, maar dat boeit me niks!’ Hij zei het ook een tweede keer. Maar de derde keer lukte hem niet. Hij keek, wilde z’n mond open doen, maar hij bastte in tranen uit. Hij verliet de kerk, als een ander mens. Die jongen ging naar het seminarie en werd later zelf priester. 

‘Hoe ik dit allemaal weet?’, zei aartsbisschop Lustiger. ‘Die jongen, dat was ik.’ Jean-Marie Lustiger werd geraakt door Christus aan het kruis. En ondanks dat hij een Jood was, ondanks de tegenwerking van zijn familie en vrienden, ondanks alles kon hij niet anders dan die man aan het kruis gaan dienen door zijn leven in dienst te stellen van de kerk. 

Dit verhaal ken ik omdat de Britse nieuwtestamenticus Tom Wright het graag vertelt en het raakt me altijd weer. Ik vertel het jullie vanmorgen, omdat het heel goed past bij wat Paulus schrijft aan de Korintiërs. Hij heeft het over Jezus Christus – de gekruisigde. En over de kracht van de verkondiging dat Jezus de gekruisigde is. De boodschap waar de kerk op gebouwd is, is geen bijzonder interessante boodschap, geen boodschap waarvan je zegt ‘ja, inderdaad, zo moet het wel zitten’, geen boodschap waar je op zat te wachten, geen boodschap die redelijk, begrijpelijk, gemoedelijk en gemakkelijk is. Nee, het is een boodschap die in alle eenvoud ontwricht, ons van ons stuk brengt, ons verwart, ons vreemd is.

Toen ik een jonge jongen was, hield ik geen priesters voor de gek – in ons dorp had je geen Roomse kerk. Ik ging twee keer per zondag naar een vrij orthodoxe protestantse kerk. Daar hoorde ik veel over het kruis. Er werd veel over dat kruis gepreekt en echt niet alleen rond Pasen. 

De woorden die we net gelezen hebben waren daarbij vaak te horen. ‘Jezus Chrisus – de gekruisigde’, of zoals het bij ons klonk in de Statenvertaling: ‘Jezus Christus, en Dien gekruisigd’. 

Hoe vaak hebben ze niet geklonken in intrede- en bevestigingsdiensten? ‘Jezus Christus, en Dien gekruisigd.’ Of de nieuwe predikant nam ze zelf in de mond om samen te vatten wat hij zou gaan verkondigen in de jaren dat hij bij ons was, of iemand anders gebruikte ze om die nieuwe dominee aan te sporen zich in zijn werk te focussen op Jezus Christus.

En dan volgde met nadruk nog die woorden ‘en Dien gekruisigd’. Het zou vooral moeten gaan om Jezus’ kruisdood en dan met name om de reden daarvan, namelijk onze zonden en Gods toorn over die zonden. Als een predikant begon met die woorden uit 1 Korintiërs 2 vers 2 dan wist je: deze dominee gaat geen fijne verhaaltjes houden, hij gaat ons zeggen waar het op staat, dat wij zondaars zijn en dat het zo erg met ons is dat God zelf in zijn Zoon daar iets aan moest doen, anders was het nooit goed gekomen. ‘Jezus Christus, en Dien gekruisigd.’

Mijn vraag aan de dominees van mijn jeugd is of zij het punt wat Paulus maakt wel pakken. Paulus heeft het helemaal niet over Gods toorn en over onze zonden. Het lijkt hem om iets anders te gaan. Paulus benadrukt dat Jezus de gekruisigde is, omdat juist dat Hem zo vreemd maakt. 

Want dat is het punt wat Paulus hier aan het begin van zijn brief wil maken: het evangelie van Jezus Christus is een vreemde boodschap. Het is een boodschap die niemand had kunnen verzinnen. Dat God zich laat kennen in een mens die eindigt aan een kruis, dat Hij in deze doodgemartelde jood één van ons is geworden, ja, dat Hij ons in deze mislukte rabbi uit  Nazareth redt en niet alleen ons, maar dat Hij heel de schepping terecht brengt in deze ene, dat kortom uitgerekend Hij de Messias is, dat verzin je niet. Dat wil zeggen: dat verzinnen wij niet, maar God heeft het wel zo bedacht.

Dat was een vreemde boodschap. Kijk, dat een rechtvaardig mens na zijn dood bij God mag opstaan, dat geloofden de joden in Paulus’ dagen ook wel. En de niet-joden konden zich best iets voorstellen bij een onsterfelijke ziel. Dus dat hoefde Paulus niet te benadrukken. (Aan het einde van zijn brief blijkt dat hij nog wel het een en ander moet uitleggen over opstanding uit de doden, daar niet van.) Maar geen van beide groepen, joden en niet-joden, had moeite met opstanding. Nee, dan kruisiging. Een gekruisigde Zoon van God, joden vonden dat godslasterlijk en niet-joden vonden het belachelijk. Zo mag je niet over God denken! Zo wil je toch niet over God denken? Maar die blasfemische en ridicule boodschap ís het evangelie van Jezus Christus. 

En reken maar dat Paulus wist waar hij het over had! Hij had de Jezusbeweging naar het leven gestaan juist hierom. Omdat hij niet kon, niet wilde, pertinent weigerde te geloven dat die gekruisigde Jezus de Messias zou kunnen zijn. Dat kon er bij Paulus gewoon niet in. Onmogelijk! Gods Zoon sterft niet. En al helemaal niet aan zo’n vervloekt kruis. Gods Zoon overwint. Maar die gekruisigde was Paulus verschenen. ‘Waarom vervolg je mij?’ En Paulus was het gaan zien. Juist als de gekruisigde is Jezus de Messias. 

Wij geloven in een gekruisigde Messias. Wij geloven dat God zich laat kennen, ten volle, in een mislukkeling, een loser, een nobody, een mens waar wij niet trots op zijn, waar wij niet tegenop kijken, die niet onze held is, niet ons rolmodel, niet de ideale versie van onszelf, niet iemand waar we mee voor de dag kunnen komen.

In Hem geloven wij. Aan Hem vertrouwen wij ons toe, in leven en in sterven. Hij is onze Heer. Hij heeft het voor het zeggen. Hij regeert ons leven. En Hij regeert vanaf het hout! 

Dat is en blijft vreemd. Ook al is het ons ook heel vertrouwd. Dat Jezus gekruisigd is dat weten de meesten van ons al net zo lang als dat ze Jezus kennen. We hoorden de verhalen over Hem op de schoot van onze moeder. En daar hoorden we ook dat Jezus stierf aan het kruis.

Het is ons zo vertrouwd. Zo vertrouwd dat we de vreemdheid ervan nauwelijks nog voelen. Jezus is gekruisigd, ja. De aarde is rond. Het hoort bij ons christelijke wereldbeeld dat we een gekruisigde Heer hebben.

Maar laten we ons niet vergissen. We doen telkens weer pogingen om dat vreemde mineder vreemd te maken. We doen telkens weer pogingen om onze Heer van het kruis af te halen. Telkens weer denken we dat het leven maakbaar is, dat succes een keuze is, dat onze voorspoed een teken is van Gods welwillendheid, dat we de kerk kunnen redden door onze plannen, dat we als we hard werken en deugdzaam leven recht hebben op een rustig bestaan, dat we best de machten van de wereld ook een beetje kunnen dienen… Het is allemaal wijsheid van de wereld, het zijn allemaal pogingen Jezus van zijn kruis af te halen en Hem te veranderen in een verstandig mens, een winnaar, een succesvol man, een goed voorbeeld, een lieve Heer, iemand die prima bij ons past. 

Maar Jezus hoort aan dat kruis. Jezus Christus – de gekruisigde. ‘En dien gekruisigd’. Die vreemdheid is en blijft er. Telkens weer moet tot ons doordringen dat Hij de gekruisigde is. Dat God ons daar ontmoet, in een mens op het nulpunt. Telkens weer moeten wij tot onze schrik bekennen dat wij Hem van dat kruis afhaalden. Wij geloofden in maakbaarheid. Wij geloofden in onze eigen verdiensten. Wij geloofden in onze gelovigheid. Wij geloofden in onze godsdienstigheid. Wij geloofden dat wij het wel konden. Wij geloofden dat wij het zelf wel konden.

Maar dan komt het moment dat je het niet blijkt te kunnen. Dat je die ziekte niet overwint door ertegen te vechten. Dat je die ander niet kunt veranderen. Dat je goede bedoelingen tekortschieten. Dat je helemaal niet zo’n goed mens bent als je dacht. Dat je afgoden gediend hebt. Dat je demonen altijd weer opduiken. 

Dat je het moet hebben van een Heer die je niet tegemoetkomt als jij op je best bent, maar een Heer die je opvangt in het nulpunt van je bestaan. Een Heer niet die ons geloof bekroont met zijn zegen, die onze pogingen, onze hulpeloze pogingen rechtvaardig en heilig te zijn weet te waarderen, maar een Heer die onze verlossing ís, in wie wij rechtvaardig en heilig zíjn. 

Jezus Christus, de gekruisigde. En Dien gekruisigd. In Hem, in die machteloze weerloze kwetsbare man aan het kruis, is een kracht die alles te boven gaat. Dat is wat Paulus verkondigde in Korinte. Dat is wat de kerk nog altijd verkondigd. Dat is waar wij het van moeten hebben. Dat is de kracht van het kruis. Dat je niet kunt blijven zeggen: ‘Jij hangt daar door mij en dat boeit mij niks.’ Er komt een moment dat je stilvalt en dat Hij je voorgoed veranderd. Dat moment komt en het komt telkens weer.


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.