Gemeente van Jezus Christus

Inleiding op de dienst

Op deze zondag tussen Pasen – het feest van de opstanding – en Pinksteren – het feest van de Geest – stellen we de vraag hoe wij zullen leven met de Opgestane, hoe wij zullen leven in zijn Geest. Onze Schriftlezing (Johannes 15:1-8) geeft daar een antwoord op. Jezus zegt: ‘Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken.’ Zo simpel is dat.

Ik wil daar ook maar gewoon in alle eenvoud over preken. U weet inmiddels dat mijn preken vaak beginnen met een probleem en dan blijkt in de preek rest van de preek dat het toch nog meevalt, of het probleem wordt opgelost, of het probleem blijkt het probleem niet… Wie van de week op de Open Bijbelkring was weet dat ik met de Schriftlezing van deze morgen ook hard op weg was zo’n preek te houden. 

Maar toen ik van de week onze Schriftlezing voorlas aan een gemeentelid dat het echt heel moeilijk heeft en ik verwachtte dat zij bij deze Schriftlezing ook wel haar vragen zou hebben, gaf ze toen ik haar vroeg hoe zij dit gedeelte hoorde zo’n eenvoudig en helder antwoord, dat ik haar stem hoorde als de stem van God: niet zo moeilijk doen, Jan Willem. Straks dus een eenvoudige preek over de wijnstok en de ranken.

Preek

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Ja, zo begin ik mijn preken meestal. ‘Gemeente van onze Heer Jezus Christus.’ Soms zeg ik er nog ‘lieve mensen’ achteraan. Er zijn collega’s van wie je dat niet mag zeggen, die dat te zoet en te lievig vinden. ‘Ze zijn niet allemaal lief.’ Ik zeg dan dat het er niet om gaat dat ze allemaal lief zijn, maar dat ik ze allemaal liefheb. Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen… En soms zeg ik ook nog ‘zusters en broeders’, als ik onze eenheid en verbondenheid wil benadrukken.

Gemeente van Jezus Christus dus. Misschien hoor je die woorden nauwelijks. Is het alleen maar een soort startsein. ‘Nu gaan we echt beginnen.’ En je spitst je oren om te horen wat de eerste zin van de preek is. 

Maar die aanspraak is zoveel meer dan een startsein. Met de woorden ‘gemeente van onze Heer Jezus Christus’ is meteen al heel veel gezegd. Je zou bij wijze van spreken meteen amen kunnen zeggen. Gemeente van Jezus Christus! Wat een wonder. Allerlei mensen zijn hier samengekomen. 

De een was al vroeg wakker, kon niet slapen, de ander komt hier in de kerk pas echt bij zijn positieven; de een komt uit een groot huis, de ander uit een klein appartementje; opgeruimde huizen, volle huizen, donkere huizen, nieuwe huizen, vieze huizen, statige huizen, oude huizen; singles, gezinnen, senioren; gelukkig, verdrietig, introvert, spiritueel, gelovig; werkloos, eigen baas; mensen die al een kerkbank versleten hebben of misschien ben je voor het eerst hier… 

En al die mensen kun je onder één noemer brengen: gemeente van Jezus Christus. Als ik jullie wil aanspreken hoef ik alleen dat maar te zeggen en dan kan niemand zeggen: hij heeft het niet tegen mij. Ja, je kunt wel denken of het gevoel hebben dat jij er niet bij hoort en misschien heb je daar ook wel goede redenen voor, maar toch is het zo dat als ik ‘gemeente van Jezus Christus’ zeg ik jullie allemaal bedoel. Hij heeft ieder van ons op het oog, Hij heeft iets met ons allemaal, ook met jou. 

Onze Schriftlezing deze morgen gaat daarover. Johannes 15 is het begin van Jezus’ afscheidswoorden. De evangelist Johannes plaatst ze tussen het laatste avondmaal en Jezus’ gevangenneming. Jezus probeert zijn vrienden voor te bereiden op wat komt. Ze begrepen er op dat moment niet veel van. Pas na zijn dood en opstanding zullen ze de betekenis van wat Jezus toen zei hebben begrepen. Het is daarom niet zo gek dat wij nu na Pasen een stukje uit het Johannesevangelie lezen wat zich voor Pasen afspeelt. Pas na Pasen kun je Jezus’ leven voor zijn dood en opstanding ten volle begrijpen.

Jezus bereidt zijn vrienden dus voor op wat komt. Hoe zal het verder moeten als Hij er niet meer is? Welke rol kan Hij later in het leven van zijn leerlingen spelen? 

Het zijn de vragen van de gemeente. De allereerste christelijke gemeenschappen voor wie Johannes zijn evangelie schreef, maar ook de kerk van alle tijden en alle plaatsen; het zijn ook onze vragen.

Hoe is Hij die is gestorven en opgestaan ook nu nog een levende werkelijkheid? Hoe kunnen wij leven met de opgestane? Hoe ik Jezus Christus in ons leven aanwezig? Wat hebben wij met Hem?

‘Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijngaardenier.’ ‘Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken.’ Met het beeld van de wijnstok geeft Jezus antwoord op onze vragen. En met dit beeld zegt Hij ten minste zeven dingen over wat het betekent om gemeente van Jezus Christus te zijn. Zeven vond ik een mooi getal. Ik had het ook in acht of vijf gekund. En u zult merken dat het ook niet zeven totaal verschillende dingen zijn, sommige dingen overlappen elkaar of horen bij elkaar. 

Ten eerste zegt Jezus over hoe Hij en zijn gemeente bij elkaar horen: ‘Wij zijn niet van elkaar te scheiden.’ Het beeld wat Jezus gebruikt, maak dat eerst en vooral duidelijk. Heb je het over een wijnstok, dan heb je het over ranken, en andersom. Zonder het een is ook het ander er niet. Zo zijn Jezus Christus en zijn gemeente onafscheidelijk. Als je over Christus begint zonder zijn gemeente, dan wordt Hij een idee, een gedachte. En begin je over zijn gemeente zonder Hem, dan heb je het over een vereniging of een club. Ook heel gezellig, of niet, maar het is geen gemeente.

Het tweede wat Jezus met dit beeld zegt is dit: wij gaan niet in elkaar op. Dus hoe onafscheidelijk we ook zijn, we blijven twee verschillende dingen. De wijnstok is geen rank en de rank is geen wijnstok. De gemeente is niet Jezus Christus en andersom is ook Jezus Christus zijn gemeente niet. 

Jezus Christus blijft zichzelf. En wij blijven onszelf. Het christelijk geloof gaat niet over eenwording met het goddelijke. Het gaat over een verbond waarin God helemaal God kan zijn en wij mensen helemaal mens. Een mens met een eigen roeping, een eigen verantwoordelijkheid, een eigen vrijheid, eigen gedachten en een eigen karakter. Wij zijn geen zweverig clubje. We staan met beide benen op de grond en wij moeten zelf de uitdagingen van deze tijd het hoofd bieden.

Ten derde. Jullie kunnen niet zonder Mij. Dat is eigenlijk een nuancering van de vorige twee. De verhouding tussen Jezus Christus en zijn gemeente is niet symmetrisch. Wij groeien aan Hem, Hij niet aan ons. Wij zijn van hem afhankelijk, Hij niet van ons. Hij is onze redder, wij zijn gered. ‘Zonder mij kun je niets doen.’ Wij zullen nog wel heel wat keren struikelen en onze neus stoten voordat wij de waarheid daarvan hebben ingezien. Maar het is de waarheid: wij zijn tot veel in staat, maar echt iets doen, iets wat er toe doet, iets wat echt, waar en blijvend is, dat kunnen we alleen door Hem.

Deze eerste drie horen bij elkaar. We zijn onafscheidelijk, verschillend en wij zijn afhankelijk van Hem. Nu twee andere die ook bij elkaar horen.

Ten vierde zegt Jezus dat wij leven van Gods liefde. ‘Mijn Vader is de wijnbouwer.’ Hij gaat zorgzaam en zorgvuldig om met zijn wijnstok en met ons ranken. Hij besteed alle zorg aan ons en aan onze groei en bloei. Hij doet alles om ons te laten vruchtdragen. Dat was de boodschap die dat gemeentelid uit het gedeelte haalde. ‘De zorgzaamheid van de Vader.’ 

Heb je zo al eens naar jezelf gekeken? Kijken wij zo naar onszelf? Wij zijn niet maar bezig er zelf iets van te maken, nee, God is bezig met ons. Dat ons leven iets oplevert, dat het lukt, dat het vruchtdraagt, daar is God zelf op uit. We leven niet in een onverschillige kosmos, nee, God wil iets met jou en mij beginnen. Jij hebt, wij hebben een zorgzame Vader die alle liefde aan je besteedt.

En daarbij hoort het vijfde wat Jezus zegt met de woorden van onze Schriftlezing. Hij zegt: Gods eer staat op het spel. ‘De grootheid van mijn Vader zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vruchten voortbrengen.’ Wat een bijzondere positie! Ons vruchtdragen is tot eer van God. Het is niet om het even of onze levens vrucht dragen. Gods goede naam staat op het spel. Als we vrucht dragen is dat fijn voor ons, goed voor onze naaste, maar het is eerst en vooral eervol voor God.

Dan het zesde wat Jezus zegt met de woorden die we gelezen hebben. Dat knoopt aan bij dat er wat op het spel staat. Voor God dus, maar ook voor ons. Er worden ranken afgesneden, weggegooid en verbrand. Deze woorden kunnen ons bang maken. Ik geloof niet dat dat de bedoeling is. 

Het Johannesevangelie is geschreven voor een gemeenschap die te maken had met hevige tegenwerking. Verderop zegt Jezus: ‘Jullie zullen uit de synagoge gezet worden, en er komt zelfs een tijd dat iedereen die jullie doodt, meent daarmee God te dienen.’ (Johannes 16:2). Zij die dat doen, zijn die ranken die niets met Jezus te maken willen hebben en dus ook niet met Hem verbonden zijn en dus ook geen vrucht dragen. Je hoeft dus niet bang te zijn dat op een dag de wijnboer opeens de schaar pakt en je afknipt en weggooit. God is geen onberekenbare Heer. Hij is een liefhebbende en betrouwbare Vader. Blijf in mij, zegt Jezus. Dat is de uitnodiging, dat is waar het op aan komt. Blijven. Trouw zijn. Vasthouden. Volhardend. 

En ten slotte het zevende. ‘Als jullie in Mij blijven en mijn woorden in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren.’ Weet Jezus niet van onze onverhoorde gebeden? Van onze vragen die onbeantwoord bleven? Van de pijn en de twijfel die leven in ons hart? 

Dit brengt ons bij een belangrijk inzicht. Een inzicht dat je eigenlijk altijd moet toepassen als we woorden van Jezus horen. We moeten alles wat Hij zegt, begrijpen door zijn woorden altijd ook autobiografisch te horen. Ik bedoel, in alles wat Jezus zegt gaat het over Jezus zelf. Jezus leven is een uitleg van wat hij zegt. We kunnen zijn woorden alleen echt begrijpen als we beseffen wie het is die hier spreekt en hoe het met Hem is gegaan. In die zin is het met ons net als met de leerlingen van Jezus en de eerste christenen, wij begrijpen wat Jezus zegt alleen als we het evangelie helemaal uitlezen. 

Dat geldt ook voor ons gedeelte van vanmorgen. Bijvoorbeeld wat hij zegt over het afgesneden worden en weggeworpen. Hij werd afgesneden van zijn volk en buiten de stad aan een Kruis gehangen, een weggeworpen rank. Zijn leven eindigde vruchteloos, los van zijn volk, los van zijn God. Maar op de derde dag bleek de weggeworpen rank de wijnstok. God wekt zijn Zoon op uit de dood. 

En zo komen Jezus’ woorden over vragen wat je wilt en dat ook krijgen in een nieuw licht te staan. Hoe ging God met Jezus om? In de weg van kruis en opstanding. En zal God anders met ons omgaan? Zal Hij onze gebeden anders verhoren dan de gebeden van zijn Zoon? God beantwoordt ook onze gebeden in de weg van kruis en opstanding. We krijgen alles waar we om vragen, maar meestal niet op de manier die wij verwachten en wensen.

Zeven dingen die Jezus tegen ons zegt. ‘Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken.’ Wij horen bij Hem, wij worden geroepen mens te zijn, in afhankelijkheid. Wij leven van Gods liefde, zijn eer staat op het spel, het komt er op aan dat wij bij Hem blijven. Dan zal Hij ons alles geven, op de manier waarop Hij ook zijn Zoon alles gegeven heeft. Laten wij leven verbonden met deze Heer, onder de liefdevolle zorg van deze God!

Amen.


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.