Paulus is in Athene. De trotse hoofdstad van Griekenland. Bakermat van de Grieks-romeinse beschaving. Het intellectuele en culturele hart van het Romeinse Rijk. En Paulus houdt daar zijn beste, mooiste en diepzinnigste toespraak. Hij meet zich met de grootste sprekers aller tijden. En hij weet het evangelie van Jezus Christus zo te verwoorden dat het stand houdt op het allerhoogste podium.
En dat alles gebeurt… toevallig. Het was niet de bedoeling. Zeker niet van Paulus. Paulus is in Athene gebracht, omdat in andere Griekse steden de grond onder zijn voeten te heet werd. Ze hadden Paulus weggestuurd Berea. Ze, dat zijn de gelovigen nota bene. De gemeente vond het te gevaarlijk voor Paulus en ze hebben gezegd dat hij moest gaan. Er staat dat Paulus door een aantal “begeleiders” naar Athene wordt gebracht. Begeleiders klinkt hier bijna als bewakers.
Nee, Paulus was niet geheel vrijwillig naar Athene gekomen. Hij was daar niet omdat hij daar het evangelie wel eens wilde verkondigen. Het was geen onderdeel van het missionaire plan. Hij had niet bedacht dat het tijd was om ook in Athene te verkondigen dat Jezus Heer is, dat God in Hem alles nieuw gemaakt heeft, dat Hij hemel en aarde verbindt.
En toch gebeurt het dat Paulus daar op een dag een toespraak staat te houden ten overstaan van de culturele en intellectuele elite van Griekenland, van het Romeinse Rijk, van Europa en wat hij dan zegt, is de beste toespraak die hij ooit houdt. Zoals echte topsporters juist op de belangrijkste momenten het beste kunnen geven van wat ze in huis hebben. Op het moment dat het er toe doet, dan staat Paulus er. Dan is hij scherp, fit en niet te stoppen.
Maar het is dus toeval. Als Paulus niet naar Athene was gebracht, als hij niet was gaan rondlopen door de stad om de tijd door te komen, als al die afgoden hem niet waren opgevallen… Ja, daar is iets mee aan de hand. Er staat dat Paulus’ geestkracht geprikkeld werd door die afgoden. In onze vertaling wordt daar ‘hevig verontwaardigd’ van gemaakt en zo kun je het vertalen. We kennen Paulus inmiddels ook wel als een mens met sterke gevoelens.
Maar het is maar de vraag of Paulus negatief geprikkeld is. Het lijkt er meer op dat Paulus die afgoden ziet en prompt staat hij aan, zoals wij dat zeggen. Opeens is hij alert, scherp, allerlei gedachten komen in hem op. Het raakt hem wat hij ziet en moet daar iets mee. Ik denk dat veel mensen dat soort moment wel eens hebben. Op je werk, of als je met een hobby bezig bent, of als je iets leest in de krant of op internet. Een moment van inspiratie. Dat is geestkracht. Je kunt zelfs zeggen: dat is heilige Geest.
Die heilige Geest van God die voelt zich dus niet te goed om op toevallige momenten op te duiken. Toeval kan zomaar gebruikt worden door God. Ik vind het altijd lastig om God met toeval gelijk te stellen. God is niet de verklaring voor alles waar wij geen verklaring voor hebben. En toeval kan ook heel verkeerd uitpakken. Maar God gebruikt toeval wel.
Sta je daar voor open? Sta je daar voor open als jij op een plek bent waar je eigenlijk helemaal niet wil zijn, zoals Paulus? Sta je daar voor open als je ziek bent? Sta je daar voor open als je rouwt? Sta je daar voor open als het niet lukt op school? Sta je daar voor open als… vul maar in. Het leven kan je letterlijk en figuurlijk brengen op plekken waar je helemaal niet wil zijn.
Maar daar kan God iets in jou wakker maken. Daar kun jij nodig zijn. Daar kan jouw geestkracht iets doen. Wees niet bang in vreemd gebied. Houd moed als je bent waar je niet had willen zijn.
Ondertussen is het natuurlijk ook heel ironisch dat het grote trotse Athene het evangelie slecht bij toeval te horen krijgt. De stad is voor Paulus niet meer dan een wachtkamer. Maar Paulus verblijf in die wachtkamer is niet onopgemerkt gebleven. Paulus moet zich verantwoorden op de Areopagus. Ik zeg verantwoorden, want dat is het toch echt wel. De Areopagus was niet zomaar een debatclub, het was ook de rechtbank. En op het verkondigen van vreemde goden stond in het oude Griekenland gewoon de doodstraf. Vraag maar aan Socrates.
Dus Paulus is niet geheel vrijwillig in Athene, hij staat ook niet geheel vrijwillig op die Areopagus, maar hij heeft wel de innerlijke ruimte om een fantastische toespraak te houden. Misschien vond u het maar een lastige toespraak en was er ook veel wat u niet direct begreep. Dat kan ik mij goed voorstellen. Ik heb er flink op moeten studeren deze week om er een beetje grip op te krijgen en ik heb niet de pretentie dat ik het helemaal doorgrond heb, maar wat ik er van begrijp maakt wel dat ik zeg: dit is echt een top toespraak.
En de rest van deze preek wil ik met u kijken naar de inhoud van die toespraak. Ik ga dat niet doen door de hele gedachtegang te reconstrueren, zo van: eerst zegt Paulus dit en dan zegt hij dat en daarmee bedoelt hij zus en dat komt zo weer terug… Nee, ik pik er één ding uit en als we dat begrijpen, dan begrijpen we denk ik de hele toespraak van Paulus.
En dat ene ding is opnieuw een toevalligheid. Paulus wordt naar de Areopagus gehaald omdat men hem heeft horen spreken op het marktplein over ene Jezus en ene Anastasia. Daar had Paulus het natuurlijk niet over gehad. Hij had het over Jezus en over de opstanding. Het Griekse woord voor opstanding is anastasis.
Paulus’ had het dus over de opgestane Jezus, maar hoe gaat dat? Men luistert niet goed. Kan het niet goed horen. En voor je het weet ontstaan de misverstanden. Elke predikant krijgt ook wel eens te horen: ‘Ik vond het zo mooi dat u toen dat en dat zei.’ En dat je dan zeker weet dat je dat nooit gezegd hebt of kunt hebben…
Afijn, de Atheners horen Paulus over Jezus en de opstanding praten en ze denken wel te weten hoe het zit: je hebt de god Jezus en de godin opstanding. Nog een paar goden erbij. Dat kon misschien best. Er waren zoveel goden. Wellicht hadden ze er een paar over het hoofd gezien. Niet voor niets dat er ook een altaar was voor de onbekende god.
In zijn toespraak ontzenuwt Paulus dat misverstand. Hij zegt: ja, jullie voelen zelf ook wel aan dat er iets ontbreekt aan jullie goden, dat jullie iets missen. Jullie missen de éne ware God, de God die een oordeel over ons velt door Jezus en je kunt weten dat Hij dat doet omdat Hij Jezus uit de dood heeft laten opstaan. Dus, die ene God, die zal een nieuwe wereld maken en wie daarbij wil horen, die zal bij Jezus moeten horen. Gods nieuwe wereld is voor iedereen die iets met Hem heeft.
En als de filosofen en intellectuelen dat horen, nu ze begrijpen dat Paulus het niet over Jezus en Anastasia had, maar op de opgestane Jezus, zeggen ze: O, juist, op die manier… Sommige vinden het bespottelijk, anderen zeggen beleefd dat ze misschien later nog eens wat meer daarover willen horen – zoals na een mislukt sollicitatiegesprek: bel ons niet, wij bellen u – slechts een enkeling wordt geraakt.
Weet u waarom Paulus zo’n lauwe reactie krijgt? Omdat hij te dichtbij komt. Paulus hele betoog komt er op neer dat hij zegt: jullie goden zijn verre, ongeïnteresseerde en onbetrouwbare figuren, die wonen ver weg en hun gedrag is wispelturig. Jullie hebben je stad vol gezet met tempels en tempeltjes voor die lui, maar wat heb je eigenlijk aan ze?
Paulus spreekt de Atheners aan op hun gemis. Het altaar voor de onbekende god is voor Paulus het bewijs dat die Atheners wat missen. Ze hebben talloze goden, maar voelen zich toch leeg en ongelukkig. Een beetje zoals wij, denk ik dan. We hebben meer, kunnen meer, mogen meer dan alle generaties voor ons, maar zijn we gelukkiger, voelen we ons beter dan zij, is er minder leegte in ons hart?
Paulus zegt: jullie gevoel dat er meer is, klopt. Er is een God die niet in een tempel woont, die niet ver weg en onpersoonlijk is. Er is een God die dichtbij ons is, die ons kent. En die God steekt zijn hand naar je uit. Wil je met Mij meedoen? Die God steekt zijn hand naar ons uit in een mens die ons heeft laten zien wat mens-zijn is. Rechtvaardigheid, liefde en genade waren zijn handelsmerk. Als je zijn hand pakt, mag je met Hem mee naar Gods nieuwe wereld. Dan heeft je leven toekomst, zelfs voorbij de grens van de dood.
‘Het was Gods bedoeling dat ze Hem zouden zoeken en Hem al tastend zouden kunnen vinden, aangezien Hij van niemand van ons ver weg is.’ Dat vind ik zelf de mooiste en diepste zin uit Paulus’ toespraak. God is zo dichtbij, je kunt hem vinden op de tast. Hij is binnen handbereik. Jezus Christus is God binnen handbereik.
Die Atheners schrikken en laten Paulus gaan, want een God die zo dichtbij komt, dat is eng. Dan is alle vrijblijvendheid er af. Dan is het uit met ons gefilosofeer. Dan is er contact, aanraking, dan raken we met huid en haar betrokken.
Jezus is God binnen handbereik. Dat is nog zo. Waar een gemeente leeft in zijn Geest. Waar brood en wijn worden gebroken en vergoten en gedeeld. Waar wij Hem volgen in zijn liefde voor mensen, waar wij helpen wie geen helper heeft, waar wij elkaars lasten dragen en trouw zijn aan de wereld in nood, waar wij vergeven, waar wij ieder mens leren zien als mens van God.
God komt zo dichtbij. Laat je ongeloof varen, blijf niet beleefd op afstand, maar kom ook. Dionysius kwam, Damaris kwam. ‘En nog een aantal anderen’, schrijft Lucas. Daar mogen wij onszelf bij rekenen. Kom, want alle dingen zijn gereed.

Geef een reactie