Ik mocht een week of twee geleden iets zeggen voorafgaand aan de Heldenronde van de 24 uur van Woerden. De 24 uur van Woerden is een wandelevenement om geld in te zamelen voor onderzoek naar kanker en voor de hulp aan patiënten en hun naasten. Samen met je team loop je 24 uur, van vrijdagmiddag vijf uur tot zaterdagmiddag vijf uur. Telkens is er minstens één persoon van je team aan het lopen. Er was een team van 55 en er was ook iemand die in zijn eentje 24 uur heeft gewandeld.
Vrijdagavond om tien uur wordt de Heldenronde gelopen. Dan loopt iedereen mee. En ook nog een heleboel mensen die niet in een team zaten, maar wel iemand verloren hebben aan kanker of die iemand kennen die op dit moment tegen kanker vecht. En de burgemeester was er om voorop te gaan.
Aan mij was gevraagd om de mensen iets mee te geven voor onderweg, een mooie tekst en een troostende gedacht. Ik nam een tekst van Bonhoeffer mee over troost en gemis. En ik heb maar weer eens gezegd dat troost geen dam is tegen verdriet, maar een bedding waardoor het verdriet kan stromen.
Na mijn woorden begonnen we te lopen. De burgemeester voorop, de dominee er vlak achter, of net ernaast. We begonnen in het Westdampark en dan zo via de Parijsche Brug aan de andere kan van de Singel, via de Westdam en langs de Joodse begraafplaats weer terug bij de tenten van de teams.
Langs de route stonden 2500 witte tasjes met een lichtje erin. Het was prachtig. Prachtig en hartverscheurend, want op een heel aantal tasjes stonden namen van geliefden die aan kanker waren overleden. We liepen erlangs, maar eigenlijk had je bij elk tasje wel even stil willen staan.
Toen ik met de burgemeester bijna rond was, keken we naar de overkant en zagen daar nog mensen beginnen aan de wandeling. We voelden ons verbonden en zeiden tegen elkaar: ‘Wat mooi dat wij dit hier hebben.’ En: ‘Dit komt niet in het nieuws, maar wat is er veel liefde en verbondenheid onder de mensen.’ Tegenover het leed van ziekte en sterven zijn we allemaal gelijk. Waarom zou dat niet het uitgangspunt kunnen zijn op aarde? Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens.
Terug bij het startpunt ging ik weer zitten aan het tafeltje waar ik eerder ook gezeten had. Ik koos toen voor dat tafeltje, omdat je daar goed zicht had op wie er allemaal wandelden. Aan dat tafeltje zaten een paar heel stoere Woerdenaren. Baarden, petten, biertje en een beetje luidruchtig. Ik dacht: ‘Nu niet bang zijn, Jan Willem.’ ‘Mag ik hier zitten?’, vroeg ik. Dat mocht. Ik kreeg een biertje aangeboden. Nee, straks graag. Ik moet zo wat zeggen voordat de Heldenronde van start gaat. Er ontstond een gesprek. Ik stelde wat vragen en vroeg hier en daar door. Toen ik op moest riepen ze nog: ‘Succes hè!’
Eenmaal terug schoof ik weer aan bij de stoere mannen. En ja, het biertje kwam meteen mijn kant op. Ze vonden dat ik mooi gesproken had. Ja, dat van die troost hadden ze wel begrepen. Verder had het vooral goed gevoeld en dat is natuurlijk ook al heel wat.
Ik zeg, onder de indruk van die wandeling zoiets als: ‘Bijzonder toch dat er zoveel mensen meelopen. Dit geeft toch echt een gevoel van samen.’ Daar was mijn buurman het niet zo mee eens. Hoeveel mensen wonen er in Woerden? 50.000 toch? De rekensom was snel gemaakt, dat is maar een paar procent.’ ‘Zes om precies te zijn’, zei ik. Zie je toch wat je aan een exact vakkenpakket hebt…
Zes procent, da’s toch niks. Tsja, zo kun je alles van je lijf houden, maar van die 50.000 zijn er op dit moment nergens anders 3000 bij elkaar. Nou ja, ze wilden er ook geen discussie van maken, maar erg onder de indruk waren ze niet. Of, en dat denk ik eigenlijk, op die manier hielden ze de emoties beter in bedwang. Nou ja, goed, we hebben nog een poosje zitten praten. Dat wil zeggen, zij hebben gepraat, ik heb geluisterd en dat was goed. Met een stevige handdruk namen we afscheid. We komen elkaar vast nog tegen. Ik zie er naar uit.
In Handelingen 2 gaat het toevallig ook over 3000 mensen die bij de Jezusbeweging willen gaan horen. 3000 mensen die zich aansluiten bij de apostelen en die ‘Jezus is Heer’ begonnen te zeggen en daarnaar gingen leven. Lucas schrijft het met verwondering op. ‘Op die dag breidde het aantal leerlingen uit met ongeveer drieduizend.’
Nu kun je dat ook klein maken. Hoeveel inwoners Jeruzalem had in die tijd is lastig te zeggen. De schattingen lopen uiteen van 20.000 tot meer dan 100.000. En er waren natuurlijk de nodige pelgrims in de stad vanwege het Pesachfeest. Die 3000 nieuwe leerlingen zijn dus helemaal niet zoveel. Maar ook hier geldt: er was op dat moment geen andere beweging die zoveel mensen trok. En het was ook niet elke dag zo dat er 3000 mensen zoiets deden.
3000 mensen. Wat een enorme groep! Ze laten zich dopen. Ze luisteren naar wat de apostelen hen over Jezus vertellen, ze zorgen voor elkaar, ze breken het brood en ze bidden samen. En dat is in feite wat de kerk nog doet. We lezen de boeken en brieven van evangelisten en apostelen, we zorgen voor elkaar in pastoraat en diaconaat, we vieren avondmaal en we bidden samen.
Die drieduizend zijn het begin van een beweging die over de hele wereld verspreid is geraakt. Nooit in de geschiedenis van de mensheid heeft één mens zoveel impact gehad. Mohammed komt een eind, maar kan niet tippen aan de verspreiding van de belijdenis dat Jezus Christus Heer is. En dan moet je nog meerekenen dat het christendom zich vaak verspreidde tegen vervolging in.
We mogen ons rijk rekenen dat wij daarbij mogen horen. Dat wij mee mogen doen met de grootste vernieuwingsbeweging in de geschiedenis van de mensheid.
Tegelijkertijd kan Pinksteren ons ook brengen bij onze armoede. Iemand vertelde me deze week dat hij bij een bijeenkomst met migrantenkerken was geweest en hoe hij zich een duffe houten klaas had gevoeld bij die swingende broeders en zusters. Ons gesprek ging over hoe bang wij protestanten zijn voor een beetje vrolijkheid en losheid. En dat is natuurlijk ook zo. Ik weet wel dat er bij jullie en ook bij mij van binnen van alles gebeurt als we zingen ‘Kom, laat ons deze dag, met heilig vuur bezingen’, maar dat heilige vuur spat er niet vanaf. Zoals de dirigente van een koor zei: ‘En nu nog een keer alsof je het ook echt gelooft!’
En ik voel die armoede ook als iemand tegen mij zegt dat hij niet meer geloven kan omdat hij niet kan geloven dat God bestaat. Dan begin ik te zoeken naar woorden en te hakkelen… Hoe lastig vinden wij het niet om ons geloof te delen?
Nee, dan die apostelen, die rollen de volzinnen over Jezus zomaar van de lippen. En dat nota bene in zoveel talen als er luisteraars zijn in Jeruzalem. ‘- wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.’ (Lucas 2:11) Ik weet dat ik geloof en dat het veel voor me betekent, maar om het nu zomaar te zeggen…
Wat dat betreft is de generatie die na mij komt veel vrijmoediger. Ik heb daar iets van mogen zien in de groep die meeging naar Taizé. Ik heb daar al eens eerder iets over gezegd. Dat die gasten tijdens de bijeenkomst vooraf zo heerlijk vrijmoedig zeiden dat ze voor God en hun relatie met Hem naar Taizé gingen. Terwijl de ouderen het hadden over de stilte en de rust, noemden zij de dingen gewoon bij hun naam: God, Jezus, geloof.
En in Taizé was het niet anders. Dan waren ze in een heel gesprek over iets in de Bijbel. Of hadden ze het over de keuzes die ze moeten maken en hoe het geloof hen daarin de weg wijst. Ik ben echt optimistisch teruggekomen moet ik zeggen. Je zult mij voorlopig niet horen over de jeugd van tegenwoordig…
Ik las deze week over de biografie van Cody Gakpo, voetballer, links- of rechtsbuiten, vroeger PSV Eindhoven, nu Liverpool. En een van de jongens die het voor ons moeten gaan doen op het WK. In die biografie gaat het ook over Gakpo’s geloof. Over de Bijbel die meegaat op trainingskamp en over de gesprekken met teamgenoten die vaker gaan over geloof dan over tactiek, over zijn dagelijkse gebed als grootste houvast. En ook over dat mensen het aan hem merken: in zijn rust en stabiliteit. Dus: zoek je nog een boek voor deze zomer, of wil je voetbalgekke zoon of dochter, of neefje of nichtje wat geven: Gakpo, de biografie.
Ik wil maar zeggen: we kunnen van deze generatie zoveel leren. Het Pinksterfeest is Gods belofte dat waar we elkaar als zusters en broeders ontvangen, het anders kan worden. Als we net als die leerlingen bij elkaar zijn en blijven. Samen lezen, samen bidden, samen zingen. Daar kan de Geest wat mee. Sterker nog, daar doet de Geest al een heleboel mee. Als de Bijbel opengaat en we samen lezen, dan weet ik vaak veel preciezer te zeggen wat geloof is en wat het met me doet.
Zoals die drieduizend uitgroeiden tot een mondiale beweging van ongekende omvang, zo kan ook ons klein geloof door Gods Geest groeien en verdiept worden.
En misschien is het ook nog een kwestie van hoe je kijkt. Ik bedoel, zien wij niet dat onder ons die Geest ook werkzaam is? Iemand vroeg me van de week: ‘Dat is toch allemaal heel abstract, die Geest en zo? Stel er zit iemand in de kerk die niets van het geloof weet en die komt na de dienst bij je en zegt dan: ‘En wat is dat nu, die Geest?’
Ik zou dan zeggen: ‘Kom eens een jaar lang meedoen. Kom naar de kerk, ga naar een kring, doe mee met een diaconale activiteit, ga meehelpen bij het jongerenwerk en vraag aan al die mensen hier wat je vragen wilt. En kom na dat jaar nog eens vragen wat die Geest van God is. Als je die vraag dan nog hebt…’ Uiteindelijk zit het niet in de ronkende soundbites waarmee ik mijn geloof verwoord, maar in een Geest die zovelen creatief en barmhartig, wijs en liefdevol maakt. De kleine grootsheid van woorden en gebaren, pannen soep en belangstelling, een kop koffie en een goede grap op het juiste moment, van iemand die voor je bidt en die je aankijkt als je er doorheen zit, iemand die je vergeving schenkt en iemand die vergeving vraagt. Wat geeft God ons al veel!
Je kunt jezelf arm rekenen, maar laten wij ons rijk rekenen met deze Geest, deze Heer en deze God.

Geef een reactie