Het lijkt niet zo moeilijk om te preken over Daniel 1. Het verhaal is tamelijk overzichtelijk. 4 jonge joodse jongens worden door de veroveraar afgevoerd naar de hoofdstad van het rijk. Daar zullen ze een intensief programma volgen om de machthebbers te adviseren in allerlei politieke, militaire en religieuze zaken. Heel slim van die Nebukadnessar.
En wat erg voor die jongens! Ver van huis, eenzaam en alleen, in een onbekende stad, in een vijandige cultuur. Er is zoveel wat hen bedreigt. En er is zoveel wat hen verleid. Je bent jong, mooi, slim, succesvol, in een bruisende stad, een cultuur waar zoveel kan en mag. Daniel en zijn vrienden zullen het moeilijk hebben gehad.
Maar zij blijven overeind. Ze zijn niet alleen knap en intelligent, ze zijn ook nog eens gelovig. Ja, wat wil je nog meer? Heel principieel weigeren ze het eten van het koninklijke all you can eat buffet. Ze nemen geen enkel risico. Geef ons maar water en groenten. En heel zelfverzekerd laten ze het zelfs komen tot een show down met al die andere jongens die koning Nebukadnessar uit alle hoeken van zijn rijk liet komen. En uiteraard, ze doorstaan de test glansrijk.
En welnu, gemeente, dan de toepassing. Leven wij niet ook in een cultuur die niets van het geloof begrijpt en moet hebben? Wordt er niet ook aan alle kanten aan ons getrokken? En zouden wij dan niet moeten zijn als Daniel? Net zo dapper, rechtlijnig en sterk?
Ja, zo kun je over Daniel 1 preken. En dat gebeurt ook massaal. Zoek maar op YouTube. En dan zouden we naar huis gegaan en dan zouden we gedacht hebben… Ik moet toch echt iets meer aan m’n geloof doen. Een beetje principiëlere keuzes maken. Of je denkt, tsja, in mijn leven en op mijn werk of in mijn vriendenkring of familie ligt het allemaal veel genuanceerder en complexer. Ik voel me wel eens een vreemde eend in de bijt, maar soms ben ik ook gewoon niet meer dan iemand die er wat van probeert te maken en verder niet.
Maar er is nog iets anders waarom ik die preek niet gewoon houd. Dat zal best te maken kunnen hebben met eigenwijsheid en weet ik wat voor duistere randjes aan mijn ego, maar het heeft ook te maken met het besef dat deze uitleg van Daniel ons niet dichter bij het evangelie van Jezus Christus brengt. En dat is uiteindelijk wel waar de kerk voor is. Dat is de reden waarom jullie hier zitten en waarom ik hier sta.
Het evangelie dat God mens werd in Jezus Christus. En Hij kwam niet als een jongen uit de upperclass, Hij had gedaante noch heerlijkheid, om het klassiek te zeggen. En geen 3 mooie vrienden, maar 12 leerlingen die visser of tollenaar waren en een aantal vrouwen, waaronder een psychiatrisch patiënt en van dubieus allooi. Hij at met tollenaars en zondaar. En Hij werd een vraat en een wijnzuiper genoemd. Waar Hij kwam, werd het leven gevierd, was het alsof het elke dag bruiloftsfeest was, daar voelde je vrijheid en liefde, daar werden de kleuren feller en de geuren scherper, daar werd geleefd!
Zo intens dat het onverdraaglijk werd. En daarom voor Jezus geen indrukwekkende carrière aan het koninklijke hof, nee, de machthebbers spanden samen om Hem te doden. En Hij eindigt doodgemarteld aan een kruis.
Het staat allemaal in zo scherp contrast met wat er over Daniel geschreven wordt. En dat is wat mij uiteindelijk weerhoudt van een preek over Daniel 1 met als boodschap: doe als Daniël en het zal je goed gaan.
Van de week las ik bij de maaltijdgroep in de Maranathakerk een gedeelte uit Daniel 1 en ik maakte de aanwezigen deelgenoot van mijn moeite om over dat gedeelte te preken. Eenmaal aan tafel zei iemand, dat het gedeelte hem deed denken aan woorden van Paulus over het eten van offervlees. En toen klikte het. Ik zag het in ieder geval weer zitten.
Goed, nu is het dus zaak dat ik jullie uitleg waarom ik zo geholpen werd door de woorden van Paulus. Hij schreef in het jaar 53 een brief aan de gemeente in Korinthe. Hij had die gemeente zelf gesticht en hij had wat dingen gehoord over verdeeldheid in de gemeente en ze hadden hem ook een brief gestuurd met een aantal vragen.
En een van die vragen ging over het eten van offervlees. Mag een christen eten van het vlees dat aan afgoden is geofferd? Je moet weten dat eigenlijk alle vlees destijds offervlees was. Als er een dier werd geofferd dan werd een deel van dat dier verbrand en daarmee aan de goden gegeven. Het vlees dat overbleef werd verkocht op de markt. De tempel fungeerde in die zin als slagerij of restaurant. Dus als je in Korinthe vlees kocht of je at bij iemand en die serveerde vlees, dan had je met offervlees te maken.
Nu had Paulus kunnen kiezen voor het Daniel dieet, alleen groenten en water. Houd je verre van die offerdieren. Wij geloven niet in al die afgoden, dus geen vlees. Maar dat zegt Paulus dus niet. Voor hem is er één ding nog belangrijker dan alle regels en dat is de vrijheid van een christen. Die vrijheid heeft Paulus zelf aan den lijve ondervonden. Een nietsontziende christenvervolger was hij, niets zag hij door de vingers. Totdat… ja, totdat de Heer Jezus hem verscheen en hem stap voor stap duidelijk maakte dat God de bevrijder is. En dat de dood en opstanding van zijn Zoon ons vrijmaakt op een manier waar je nooit klaar mee bent. En Paulus had het begrepen. En dat wat hij begreep, deelt hij in zijn brieven.
Hij begint in hoofdstuk 8 met iets te zeggen over kennis. Dat woord ‘kennis’ kan ons op het verkeerde been zetten. Het woord dat Paulus gebruikt gaat mee over inzicht, over verlichting, helder denken, de dingen op een rijtje hebben. Christenen hebben de dingen op een rijtje. Ze weten wie het voor het zeggen heeft en ze weten wat liefde is. En nu zijn er dus christenen in Korinthe die zeggen dat je dat offervlees prima kunt eten. Die goden waar het aan geofferd is, bestaan niet. Je kunt zelfs als je dat wilt in zo’n tempel een hapje gaan eten. Dat is toch allemaal nep en als het lekker smaakt…
En dan zegt Paulus dus, ja, dat kun je doen en je hebt gelijk, maar doe het toch maar niet, je vergeet iets. Je vergeet dat je niet in je eentje christen bent. Misschien is het voor jou wel net zo helder als voor mij: er bestaat maar één God, maar er zijn ook mensen die nog maar net bekeerd zijn. Vorige maand kwamen ze nog in diezelfde tempel om te offeren aan die afgod. En dan zou jij ze nu daarheen mee willen nemen omdat jij zo goed weet hoe het zit? Dat moet je niet doen. Voor Paulus is het helder: ik mag alle vlees altijd en overal eten, maar als ik daardoor een broeder of zuster in het nauw breng, dan houd ik het de rest van mijn leven op enkel groenten.
Vrijheid is belangrijk, maar werkt naar twee kanten. Streng in de leer zijn of vinden dat iedereen jouw liberale standpunt moet delen, het is allebei een aanslag op die vrijheid. En vrijheid is pas echte vrijheid als je samen die vrijheid voelt. Het gaat niet om jouw vrijheid, maar om gedeelde vrijheid. Geen zelfredzaamheid maar samenredzaamheid. Dat woord kregen we pas cadeau van onze burgemeester. Samenredzaamheid. Dat gaan we nog vaker horen.
De weg die Paulus wijst is de weg achter Jezus aan. De weg van het leven. De weg van de vrijheid. En die vrijheid betekent dat niet alles wat kan ook moet. Niet alles wat mag, moet. Daniël mocht alles, maar hij wist dat beperking beter is. En in die zin geloof ik ook niet dat Daniël en Paulus het oneens zijn. Daniël had gerust vlees van de tafel van de koning kunnen eten. Vlees van reine dieren mochten joden gewoon eten. En de Bijbel waarschuwt wel voor de gevolgen van te veel wijn, maar verbiedt het niet. Maar Daniël is zo zuinig op zijn vrijheid. En daarom dat dieet. Er moet iets zijn wat hem herinnert aan die vrijheid. Beperking heeft alleen zin als het je herinnert aan die vrijheid.
Hoe dat praktisch uitpakt? Het nadeel van voorbeelden is dat je het daarmee meestal minder maakt. Toen we in Barendrecht woonden werd op een gegeven moment de zondagssluiting van winkels opgeheven en ik ging vanaf dat moment op zondag geregeld naar de plaatselijke supermarkt. Niet voor de grote gezinsboodschappen, maar als we ergens zin in hadden of iets was op, dan ging ik dat gerust halen. En niet tijdens kerktijd of zo, maar gewoon ’s middags of zo. En mijn theologische excuus had ik ook klaar: in de Tien Geboden gaat het over de sabbat, de joodse rustdag en ik ben geen jood.
Na een jaar of twee ben ik toch gestopt om naar de winkel te gaan. Als we nu iets missen vraag ik hooguit de buurvrouw. Ben ik strenger in de leer geworden? Ben ik verrechtst net als de rest van Nederland? Nee, mijn kinderen werden groter en ik besefte dat ik hun wilde leren dat we meer zijn dan consumenten. Dus op zondag niet naar de winkel, ook geen online aankopen, op zondag zijn wij even iets anders dan consumenten, dan mensen die van alles willen hebben. Ik vond dat de vrijheid die het geeft om een dag niet te kopen groter dan de vrijheid om naar de winkel te gaan wanneer ik wil. Het is misschien niet het meest spannende voorbeeld. Misschien heb je zelf een beter. Deel dat dan straks tijdens de koffie eens.
Ik denk dat het leven van een christen steeds meer gaat om de vraag waar je niet aan mee doet. Als ik mijn oor te luisteren leg dan hoor ik dat iedereen een vreselijk drukke maand heeft. Alles start weer en er moet gigantisch veel. Wat moet je als gezin een gigantische berg ballen in de lucht houden! Hoeveel vrijheid hebben we nog?
Zo eindigt mijn preek toch een beetje bij de preek die ik niet wilde houden, over Daniel als voorbeeld. Toch hoop ik dat je het verschil voelt. Het gaat er niet om dat je je aan de regels houdt, maar dat je beseft dat je een vrij mens bent. Vrij om in elke situatie keuzes te maken. Keuzes die niet gegrond zijn in wat wij willen of juist niet willen, maar in God zelf, in de liefde van zijn Zoon.

Geef een reactie