In de serie preken over het Johannesevangelie vandaag een preek over de stem van de herder n.a.v. Johannes 10:1-6.
‘Vroeg ik mijn oren: – eind’lijk gehoor – weet ik verwonderen: daar is Hij, hoor: spreken.’ Wat ons denken, onze voeten, onze handen en onze ogen ons niet kunnen vertellen, dat kan via ons gehoor wel tot ons komen.
God spreekt en wij luisteren. Geloven is luisteren. Het is niet iets wat wij bedenken. Het is niet iets wat gebeurt er als wij ergens naartoe gaan met onze voeten. Het is niet iets wat gebeurt als wij iets doen met onze handen. Het is ook niet iets wat in ons opkomt als wij onze ogen de kost geven. Geloven is luisteren. God spreekt en wij luisteren.
Dat zit heel diep in het Bijbelse geloof. Als God zijn geboden geeft op de berg, het belangrijkste moment in het Oude Testament, daar waar God een verbond aangaat met mensen, als dat gebeurd dan is er ‘alleen een stem’. ‘Er was alleen een stem.’ God liet zich niet zien, maar je kon zijn stem horen. En dat is wat gelovigen doen, proberen te luisteren naar die stem.
De heilige huiver om Gods spreken en diepe dankbaarheid dat God spreekt tekent ons leven. Ik moet denken aan dat verhaal over die joodse rabbijn die telkens als hij probeerde de Bijbel te lezen niet verder kwam dan Genesis 1 vers 3. ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en dood, duisternis lag over de overvloed, en over het water zwemt een Gods Geest. God zei:…’ En elke keer als die rabbijn bij de woorden ‘God zei’ kwam, barstte hij in tranen uit en kon hij niet verder lezen. Dat God spreekt, dat is ook onvoorstelbaar ontroerend. Het had ook stil kunnen blijven, maar er klinkt een stem. Niet meer dan een stem, maar ook niet minder.
Die verhouding tussen God en zijn volk – God spreekt en wij luisteren – is ook de verhouding tussen de goede herder en zijn kudde, tussen Jezus Christus en de gemeente. Dat is wat onze lezing uit Johannes 10 duidelijk maakt.
‘Wie door de deur naar binnen gaat, is de herder van de schapen. … De schapen luisteren naar zijn stem, hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. Wanneer hij al zijn schapen naar buiten gebracht heeft, loopt hij voor ze uit en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen.’ Christus spreekt en wij luisteren.
Afgelopen maandag bespraken Johannes 10 op de Open Bijbelkring. Al pratend kwamen op de vraag: waar klinkt Jezus’ stem? Anders gezegd: hoe kun je temidden van alle stemmen in ons leven stem van Jezus Christus horen? Hoe weet je zeker dat Hij het is die spreekt?
Om met die laatste vraag te beginnen – hoe weet je het zeker? Wanneer weet je iets zeker? Als je iets voor mogelijk houdt? Het is in het geloof altijd ingewikkeld om eerst te bewijzen dat iets kan en dan te bewijzen dat iets ook zo is. Stel ik wil iets over God zeggen. Moet ik dan eerst bewijs leveren dat het mogelijk is dat er zoiets als een god bestaat? En kan ik pas als dat bewijs geleverd is op een geloofwaardige manier over God spreken? Over wie hebben we dan eigenlijk? Over de levende God, of over een god die past binnen wat mijn verstand mogelijk lijkt? Zo werkt het vaak wel. Dat iemand zegt dat hij wel gelooft dat er iets meer is, iets hogers en dat we dat dan God noemen. Ja, dan is het niet gek dat God vaag, ver en vreemd blijft.
Maar God is niet iets! God is de God die spreekt, de God die spreekt te midden van Israël, de God die zich helemaal heeft uitgesproken in Jezus Christus. De Bijbel getuigt van een God die spreekt. Die niet pas spreekt als wij dat mogelijk achten, maar die door te spreken de mogelijkheid van dat spreken schept. Dan gaat het niet meer over ons spreken over God, maar over God die tot ons spreekt. En dan wil je wel luisteren!
Zo is het nog steeds. De goede herder laat zijn stem horen, niet waar zijn schapen daar klaar voor zijn, of waar zijn schapen hebben bedacht dat die stem wel eens zou kunnen klinken. De stem van de herder klinkt: Kom! Kom nu! Hierheen! En we komen.
Er is dus geen theoretisch antwoord op de vraag naar de stem van de herder.
Je kunt je niet beroepen op eigen innerlijke zekerheid. Je kunt je niet beroepen op zekerheid buiten jezelf. De goede herder spreekt. Ik kan u dat niet verklaren, ik kan u dat alleen verkondigen. Ik kan alleen getuigen van zijn spreken op grond van het getuigenis in de Bijbel van zijn spreken. We hebben geen bewijzen, er zijn alleen getuigen. En de vraag is of je hen betrouwbaar acht.
En dan is er iets wat we wel degelijk weten. Het is de stem van de herder, de goede herder. De herder die zorgzaam omgaat met zijn schapen, die oog heeft voor het zwakke, die het verlorene zoekt. Zijn stem klinkt in ieder geval niet waar dat ontbreekt, dat weten we wel zeker. Zijn stem klinkt waar kwetsbaren en zwakker zijn. Zijn stem klinkt wel verdriet en pijn en wanhoop zijn. Zijn stem klinkt waar mensen verdrukt en veracht worden. Zijn stem klinkt aan een kruis, in het diepste nulpunt van het menselijk leven. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Zou de stem van de herder niet beter verstaanbaar worden als wij uit de leunstoel van ons getheoretiseer komen en meer daar zijn waar de goede herder is?
Tenslotte, ik denk dat het niet toevallig is dat Jezus het beeld van een herder met zijn schapen gebruikt om duidelijk te maken wat de verhouding tussen hem en zijn gemeente is. Schapen leven in een kudde. Christenen zijn ook kuddedieren. In de goede zin des woords. Wij zijn niet allemaal individuutjes met ons privé geloofje. Wij zijn samen schapen van de goede herder. Samen luisteren we naar de herder. In de gemeente leren wij zijn stem verstaan. Waar wij samen zingen, waar wij samen bidden, waar wij samen lezen, daar wordt Hij verstaanbaar. Samen luisteren we naar de stem van de herder. Geen stem zo anders dan alle andere stemmen, geen stem zo vertrouwd.
Geef een reactie