Leven na leven na de dood

Dit is de tekst van de preek die ik hield in de themadienst vandaag.

‘Je bent er toch de hele maand mee bezig.’ zei iemand pas tegen me. November is de maand van het gedenken van overledenen. Of het nu het kerkelijke feest Allerheiligen is, of het wereldlijke feestje Halloween, of de bijeenkomsten die uitvaartondernemingen organiseren of de gedachtenismomenten in verpleeg- en verzorgingstehuizen, onze overledenen zijn deze dagen in onze gedachten. Volgende week is het Eeuwigheidszondag, de laatste zondag van het kerkelijk jaar waarop we de namen van onze ontslapen broeders en zusters voor God en voor elkaar in herinnering brengen.

Deze themadienst in de maand november gaat daarom over de vraag wat het christelijk geloof zegt over leven na de dood. Meer dan de helft van de Nederlanders schijnt daar in te geloven, in een leven na de dood. En onder “gelovigen” ligt dat percentage nog hoger.

Ik wil vanavond met u nagaan wat de Bijbel zegt over leven na de dood. Ik doe dat niet aan de hand van een Schriftlezing, maar lees met u een heel aantal gedeelten uit de bijbel die samen een antwoord geven op de vraag wat het christelijk geloof zegt over het leven na de dood.

Ik realiseer me dat we het vanavond hebben over heel tere dingen. Ieder van ons heeft gedachten aan overleden geliefden. Ieder van ons heeft daar gevoelens zoals verdriet, machteloosheid en onzekerheid bij. Ik wil niet aan die gevoelens voorbij gaan, maar deze dienst is in de eerste plaats een themadienst, een dienst waarin we iets willen leren. Mocht u behoefte hebben aan een gesprek over rouw en geloof, benader dan een gemeentelid wat u vertrouw, of een ouderling of uw wijkpredikant.

Wat zegt het christelijk geloof over leven na de dood? Ik wil die vraag beantwoorden in drie punten. Punt 1 noem ik: ‘Leven na de dood?’ Punt 2 noem ik: ‘Ja, maar…’ En punt 3: ‘Leven na leven na de dood.’ (Dit laatste punt verraad dat ik mij voor deze preek heb laten inspireren door N.T. Wright die het in zijn boek Suprised by Hope heeft over life after life after death.

I. Leven na de dood?

Ik zei u al dat gelovigen – wat dat dan ook moge zijn – vrij massaal geloven in leven na de dood. En misschien denkt u ook wel: ja, natuurlijk, daar geloven wij toch in? Als wij dood gaan, dan gaan wij naar de hemel. Als we tenminste goed geleefd hebben. Of, als u het anders wilt zeggen, als wij geloven dat Jezus Christus voor onze zonden gestorven is.

Misschien vindt u het ondertussen ook wel moeilijk om u iets voor te stellen bij een hemel. U bent daarin niet alleen in deze materialistische wereld. Maar u bent ook niet alleen als u als puntje bij paaltje komt toch denkt dat onze bestemming na onze dood een hemel is. Ook mensen die niet gelovig zijn, geloven daarin. Ze spreken over hun geliefde doden als sterren aan de hemel, die naar ons kijken en op die manier met ons verbonden blijven.

Is de hemel onze bestemming? Ik besloot het Liedboek in te duiken en te kijken of het idee van de hemel als bestemming veel voorkomt in onze liederen. Het viel me eigenlijk mee, of tegen, hoe weinig de hemel als bestemming na de dood ter sprake komt. De hemel komt op zich vaak genoeg voor in onze liederen, maar dan vrijwel altijd als de woonplaats van God, de plek van waaruit Hij actief betrokken is op onze wereld.  

Ik heb maar zeven plekken gevonden waar de hemel wordt aangeduid als ons uiteindelijke thuis, de plek waar wij na ons leven op aarde terecht komen.

273:3 ‘Loof God, zijn vinger wijst ons aan, een toren in de tijd, dat het ten hemel toe moet gaan, en gaat in eeuwigheid.’

728:1 ‘Maar zijn geloofden dat Gods hand die hen tot daar geleid had in ’t beter, hemels vaderland een stad voor hen bereid had.’

729:1 ‘’Zij gaan op naar de stad van de vrede, in de hemel daar komen zij aan en verbaasd zullen zij door de poort gaan…’

798 ‘Wij zijn zijn voetstap nagegaan, zij liefde leidde ons voort. Wij kwamen in de hemel aan bij God, ons levend woord.’

913:2 ‘…Schijnen mij uw wegen duister, zie, ik vraag U niet: waarom? Eenmaal zie ik al uw luister, als ik in hemel kom.’

964 ‘…Wees voor altijd bemind, in de hemel kind aan huis.’

977:6 ‘Want is het, Heer, reeds hier zo schoon en geef Ge ons al zo heerlijk loon op deze arme aarde, wat heerlijkheid moet dan eenmaal ons wachten in uw hemelzaal, Gij ongeëvenaarde!’

De vraag is nu of ons Liedboek de Bijbel aan haar zijde heeft, of dat dit nu precies laat zien wat het probleem is met ons Liedboek, namelijk dat het te ver afstaat van het geloof van de gemeente. Over dat laatste valt veel te zeggen, maar ik denk dat het eerste zeker waar is, dat het Liedboek terughoudend spreekt over de hemel als bestemming van ons mensen. Het Nieuwe Testament is daar namelijk ook terughoudend is. En dat is niet toevallig. Het Nieuwe Testament spreekt terughoudend over de hemel omdat ze iets anders belangrijker vindt. Het gaat in het Nieuwe Testament niet om ons leven na de dood, maar om iets veel groters. 

Dat grotere komen op het spoor als we bijvoorbeeld lezen uit de Brief aan de Kollosenzen. Paulus schrijft daar een van de mooiste poëtische teksten over de betekenis van Jezus Christus. Lees maar mee.

Kolossenzen 1:15-20

15 Beeld van God, de onzichtbare, is Hij,

eerstgeborene van heel de schepping:

16 in Hem is alles geschapen,

alles in de hemel en alles op aarde,

het zichtbare en het onzichtbare,

vorsten en heersers, machten en krachten,

alles is door Hem en voor Hem geschapen.

17 Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.

18 Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk.

Oorsprong is Hij,

eerstgeborene uit de dood,

om in alles de eerste te zijn:

19 in Hem heeft heel de volheid willen wonen

20 en door Hem en voor Hem alles met zich willen verzoenen,

alles op aarde en alles in de hemel,

door vrede te brengen met zijn bloed aan het kruis.

Paulus zegt dat als je zicht wilt krijgen op wat Jezus betekent, je terug moet naar het begin, naar Genesis, naar de schepping. Wat was Gods bedoeling toen Hij hemel en aarde maakte? Gods bedoeling was niet een verre hemel met eenzame mensen op een aan zichzelf overgelaten aarde. Dat idee hebben wij van Plato overgenomen, dat wij een ziel hebben die op deze aarde niet thuis, die moet zien te ontsnappen aan deze aardse beproeving. Nee, hemel en aarde zijn bedoeld om elkaar te overlappen en de mens is bedoeld om precies daar te staan, daar waar hemel en aarde elkaar overlappen. De mens is bedoeld als middelaar tussen hemel en aarde, namens de schepping prijzen wij God, en namens God zorgen wij voor de schepping. Wij doen dat met ons lichaam. Met ons lichaam prijzen wij God en bij ons lichaam begint onze zorg voor de schepping.

Nu is dat misgegaan. De mens kon die verantwoordelijkheid niet aan. Maar God zal het goedmaken. En door Jezus Christus heeft Hij het al goed gemaakt. Hij heeft hemel en aarde opnieuw bij elkaar gebracht. Christus verzoent hemel en aarde, Hij staat op de overlap van hemel en aarde en loopt niet weg voor zijn verantwoordelijkheid. Jezus Christus is een nieuwe schepping. Niet nieuw in de zin van een herhaling, maar nieuw in de zin van ‘nu echt’. Daarom kan Paulus Jezus de eerstgeborene van de schepping noemen en zeggen dat in Hem alles geschapen is en dat alles bestaat voor Hem en in Hem.

Wat Paulus zegt in poëzie, zegt de evangelist Johannes in proza als Hij verhaalt van de opstanding.

Johannes 20:11-17

11 Maria stond bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, 12 en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. 13 ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem hebben neergelegd.’ 14 Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 15 ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u Hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u Hem hebt neergelegd, dan kan ik Hem meenemen.’ 16 Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dit Hebreeuwse woord betekent ‘meester’.) 17 ‘Houd Me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zeg tegen hen dat Ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’

Het lijkt waarachtig het paradijs wel. Een man en een vrouw in een tuin. Jezus Christus is een nieuwe schepping, dat is opnieuw het plaatje wat geschetst wordt. En Johannes 20 helpt ons ook meteen op weg bij onze vraag hoe leven na de dood past in dit plaatje. In het plaatje past geen hemel als eindbestemming, in dit plaatje is onze bestemming opnieuw onze plek in te nemen waar hemel en aarde elkaar overlappen, de plek waar Jezus Christus is. Om die plek in te nemen, staat hij op uit de dood. Dat is de bedoeling, dat wij opstaan uit de dood. Lichamelijk, want onze lichaam is de plek waar hemel en aarde elkaar raken. Het is deze opstanding die door het Nieuwe Testament verkondigt wordt. Die opstanding vindt niet plaats meteen na onze dood, maar op de dag dat God alles weer goed maakt. Alleen Jezus staat eerder op, maar dus ook niet meteen na zijn dood. Hij is, om het opnieuw met Paulus te zeggen ‘de eerstgeborene uit de dood’. Daarom zegt de Apostolische Geloofsbelijdenis ook op het eind dat wij geloven in ‘de wederopstanding van het lichaam’ en niet in het leven na de dood.

II. Ja, maar…

Nu zegt u misschien: dat is mooi, maar ik heb ook nog een paar andere plaatsen in de Bijbel waar toch over de hemel wordt gesproken als onze bestemming. Bijvoorbeeld Johannes 14. 

Johannes 14:1-2

1 Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op Mij. 2In het huis van mijn Vader zijn veel kamers; zou Ik anders gezegd hebben dat Ik een plaats voor jullie gereed zal maken?

Geliefde tekst die ook geregeld in rouwdiensten klinkt. Hier lijkt Christus toch wel degelijk te bedoelen dat onze bestemming het huis van de vader is. De vraag is wat wij met bestemming bedoelen. Is de hemel ons uiteindelijke thuis de plek waar wij uiteindelijk blijven wonen? Het nieuwe testament kent de gedachte dat zij die in Jezus Christus geloven tussen en dood en de opstanding van het lichaam bij God geborgen zijn. De hemel is dan een tussenstation. Het woord dat Jezus hier gebruikt voor ‘kamer’ betekent ‘gastenverblijf’, ‘logeerkamer’. Een kamer dus waar je tijdelijk verblijft.

Zo kun je denk ik ook kijken naar de tweede ‘ja, maar-tekst’. Het gesprek tussen Jezus en de moordenaar die naast Hem gekruisigd wordt.

Lucas 23:42-43

42 En hij zei: ‘Jezus, denk aan mij wanneer U in uw koninkrijk komt.’ 43 Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met Mij in het paradijs zijn.’

Het paradijs is niet de uiteindelijke bestemming van de mens, het is de plek waar zij die Jezus Christus geloven verblijven tot aan de opstanding van het lichaam. Wij eindigen niet als zielen in de hemel. Zo spreekt de Bijbel niet over ons. In Openbaring 6 is sprake van zielen in de hemel.

Openbaring 6:9-11 

9 Toen het lam het vijfde zegel verbrak, zag ik aan de voet van het altaar de zielen van al degenen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis. 10 Ze riepen luid: ‘O heilige en betrouwbare Heer, wanneer zult U de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken?’ 11 Ieder van hen kreeg witte kleren. Verder werd hun gezegd nog een korte tijd geduld te hebben, totdat het aantal dienaren compleet zou zijn: zij en hun broeders en zusters die net als zij gedood zouden worden.

De martelaren, zij die vervolgt werden vanwege hun geloof, zij verblijven dicht bij God. Ze worden zielen genoemd hier, maar ze krijgen even later wel witte kleren aan. Dat kun je met een platoonsche ziel niet doen. 

III. Leven na leven na de dood

Wat is dit nu de Bijbelse lijn is, de verwachting van de opstanding van ons lichaam en de hemel als tussenstation, wat betekent dat voor ons leven hier en nu? Paulus schrijft daarover aan de Filippenzen.

Filippenzen 3:20-21

20 Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel, en van daar verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus. 21 Met de kracht waarmee Hij in staat is alles aan zich te onderwerpen, zal Hij ons armzalig lichaam gelijkmaken aan zijn verheerlijkt lichaam.

Wij hebben ons burgerrecht in de hemel. Zijn wij dan toch burgers van de hemel? Is de hemel en toch ons thuis? Veel inwoners van Philip hij kwamen oorspronkelijk uit Rome. Rome raakt overvol en daarom werden inwoners van Rome gestimuleerd ergens anders te gaan wonen. Maar als inwoner van Rome hadden ze een bepaalde voorrechten. Wat deed men? Je behield het burgerrecht van Rome ook al woonde men elders.

Wij hebben ons burgerrecht in de hemel. Is het de bedoeling dat hij daar gaan wonen? Nee. We hebben enkel de voorrechten die horen bij het hemelse burgerrecht, toegang tot God, kennis van zijn wil en we maken deel uit van zijn toekomst. Wij verwachten Christus’ komst, uit de hemel, naar de aarde. Dan zullen hemel en aarde elkaar opnieuw overlappen. En ons lichaam, nu nog vatbaar voor verval en dood, zal vernieuwd worden, een lichaam waarvoor geldt dat Gods wil erdoor geschiedt, ‘zoals in de hemel ook op aarde’. Wij bidden erom dat het nu al zo zal zijn. 

Het Nieuwe Testament geloof dus in ‘leven na het leven na de dood’. Kunnen wij ons daar iets bij voorstellen? Paulus wel. 

1 Korintiërs 15:35-37,42-43,49

35 Nu zou iemand kunnen vragen: ‘Maar hoe worden de doden opgewekt? Met wat voor lichaam komen ze tot leven?’ 36 Dwaas die u bent! Als u iets zaait, moet dat eerst sterven voordat het tot leven kan komen. 37 En wat u zaait heeft nog niet de vorm die het later krijgt; het is nog maar een naakte korrel, een graankorrel misschien of iets anders. 42 Zo zal het ook zijn wanneer de doden opstaan. Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, 43 wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt. 49 Zoals we nu de gestalte van de mens uit het stof hebben, zo zullen we straks de gestalte van de hemelse mens hebben.

Wij kunnen ons iets voorstellen bij het ‘leven na het leven na de dood’. Dat kunnen wij door te kijken naar het zaad dat gezaaid wordt in de aarde. Dat zaad sterft, geeft zichzelf verloren, maar het draagt vrucht. Zo kunnen ook wij sterven. Wij sterven echt, wat dat betreft is dit beeld heel eerlijk. Wij gaan niet over naar een andere werkelijkheid, wij ontsnappen niet aan het aardse tranendal, nee wij vergaan in de aarde. Maar, zegt Paulus, alleen door te sterven kan het zaad vrucht dragen. Kijk maar naar Jezus. Hij stierf, Hij stierf echt, Hij was echt dood. Maar Hij leeft! Niet door goddelijke reanimatie, maar Hij stond op, werd opgewekt, en draagt vrucht. Hij staat op waar wij nu al hemel en aarde verbinden, waar wij Gods wil doen, en strijden tegen alles wat zich daartegen verzet. Waar wij ons lichaam nu al beschikbaar stellen voor God, Hem dienen met wie wij zijn. En helemaal als dit lichaam niet meer wil, onszelf laten zaaien. In de verwachting dat God eenmaal alles recht zet, zoals in de hemel ook op aarde en dat wij daar dienstbaar in mogen zijn.


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.